overzicht jurisprudentie zuiveringsheffing | Ostraka belastingadviseurs BV
JURISPRUDENTIEOVERZICHT ZUIVERINGSHEFFING

5

aug

Hieronder is een overzicht opgenomen van jurisprudentie betreffende de zuiveringsheffing.
N.B. dit artikel is nog in bewerking en zal regelmatig worden aangevuld.
Per onderwerp is de jurisprudentie chronologisch gerangschikt, de nieuwste staat bovenaan.

Elders op onze website is een algemene bespreking opgenomen van de zuiveringsheffing van bedrijven en de zuiveringsheffing van particulieren.

Inhoudsopgave jurisprudentie

ONDERSCHEID WOONRUIMTE EN BEDRIJFSRUIMTE

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli 2017, nr. 16_3809, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Brabantse Delta, geheven door Belastingsamenwerking West-Brabant

4.5.1. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimte onterecht zijn opgelegd nu in zijn geval sprake is van een woonruimte (indien geen sprake is van een recreatieterrein).
4.5.2. De rechtbank verwijst voor de begrippen ‘woonruimte’ en ‘bedrijfsruimte’ naar artikel 1, aanhef en onder d en e, van de Verordening zuiveringsheffing zoals onder 4.2 staat vermeld. Het begrip woonruimte moet in overeenstemming met artikel 122h, eerste lid van de Waterschapswet worden opgevat. Uit jurisprudentie en de wetgeschiedenis van de Waterschapswet volgt dat sprake is van een woonruimte indien de woning door een gezin of een met een gezin gelijk te stellen leefeenheid wordt bewoond. Van laatstgenoemde is sprake indien personen, die naar het spraakgebruik geen gezin vormen, gezamenlijk een huishouding voeren welke de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft. Zie voor een en ander de uitspraak van deze rechtbank van 7 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5545 met verwijzing naar HR 23 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8591, BNB 1984/283 en Kamerstukken II 1998/1999, 26 235, nr. 3, p. 13.
4.5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in de onderhavige jaren niet door een gezin werd bewoond. Evenmin is aan de orde (nu dit gesteld noch aannemelijk is geworden) dat de woning werd bewoond door personen die gezamenlijk een huishouding voerden die de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft. Volgens belanghebbende werd de woning bewoond door buitenlandse werknemers. Niet aannemelijk is geworden dat er tussen de bewoners enige andere betrekking, samenhang of bindende factor bestaat dan het in de vorm van medegebruik gezamenlijk gebruiken van de voorzieningen in de woning. Nu de woning in de onderhavige jaren niet wordt bewoond door een gezin of een daarmee gelijk te stellen leefeenheid kan de woning niet worden aangemerkt als woonruimte, en zijn de aanslagen zuiveringsheffing terecht voor een bedrijfsruimte opgelegd.
Hier te raadplegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 september 2016, nr. 16_1086, zuiveringsheffing Waterschap Brabantse Delta, geheven doorBelastingsamenwerking West-Brabant

2.1. Belanghebbende is een uitzendbureau. Zij huurt een woning, gelegen aan [adres] (hierna: de woning), voor huisvesting van haar Poolse werknemers. De werknemers maken gezamenlijk gebruik van de aanwezige sanitaire voorzieningen. De aanslag is ter zake van het gebruik van de woning opgelegd.
2.2. In geschil is of de woning, voor het bepalen van de heffingsgrondslag van de aanslag, moet worden aangemerkt als bedrijfsruimte of als woonruimte. Tussen partijen is niet in geschil dat de aan de werknemers ter beschikking gestelde ruimten niet zijn aan te merken als afzonderlijke woonruimten.
2.3. In artikel 1, aanhef en onder d en e, van de Verordening op de heffing en invordering van zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2014 (hierna: de Verordening) worden de begrippen ‘woonruimte’ en ‘bedrijfsruimte’ als volgt uitgelegd:
“Deze verordening verstaat onder: (…)
d. woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;
e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;”
2.4. Het begrip woonruimte in de Verordening moet in overeenstemming met artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet (hierna: de Wsw) worden opgevat. Deze bepaling is ontleend aan het vóór de invoering van die bepaling geldende artikel 18, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo). De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de Wsw er bewust voor gekozen om de begripsbepaling van woonruimte van de Wsw aan te laten sluiten bij de jurisprudentie over het begrip woonruimte van de Wvo. Dat volgt uit de Memorie van Toelichting, waarin staat:
“Ingevolge de huidige bepaling moet voor de belastingplichtigheid als ingezetene worden uitgegaan van het gebruik van woonruimte in het algemeen. Dat kan betekenen dat ook bewoners van collectieve woonruimten zoals bejaardenhuizen of studentenflats individueel belastingplichtig zijn. Daartegenover staat de uitleg die het begrip woonruimte heeft verkregen in de rechtspraak, volgens welke voor artikel 18, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren de eis dat het moet gaan om een zelfstandige woonruimte is aanvaard (HR 23 juli 1984, BNB 1984/283). In zijn arrest van 26 juni 1996 (Belastingblad 1996, blz. 431, m.nt. P. de Bruin, Het Waterschap 1996, blz. 478) komt de Hoge Raad op grond van wetshistorische interpretatie tot het oordeel, dat voor de onderhavige heffingsbepaling in de Waterschapswet aan de term woonruimte dezelfde betekenis ware toe te kennen als voor de verontreinigingsheffing krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De Hoge Raad verwijst daarvoor naar de conclusie van de advocaat-generaal. Daarin wijst deze erop, dat bij de totstandkoming van de Waterschapswet voor de onderhavige heffingsbepaling is verwezen naar het stelsel van de verontreinigingsheffing. In het thans voorgestelde nieuwe derde lid wordt, door het daarin onder a opnemen van een begripsbepaling van woonruimte voor de waterschapsomslag, aangesloten bij die jurisprudentie.” (Kamerstukken II 1998/1999, 26 235, nr. 3, p. 13)
2.5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 juli 1984 (nr. 22 178, BNB 1984/283, ECLI:NL:HR:1984:AW8591) met betrekking tot artikel 18, tweede lid, van de Wvo het volgende geoordeeld:
“De in deze laatste wetsbepaling getroffen regeling voor de heffing van een forfaitair bepaald gelijk bedrag ‘per woonruimte’ heeft tot strekking de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang ongeveer gelijke vervuiling, te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning. Gelet op deze strekking is het niet juist om in gevallen als het onderhavige, waarin in een gebouw geen afzonderlijke ‘woonruimten’ aanwijsbaar zijn, doch het gebouw niettemin door meer dan een alleenwonende persoon, of meer dan een gezin dan wel andere leefeenheid wordt bewoond, toch het gehele gebouw als ‘woonruimte’ in de heffing te betrekken. De panden van belanghebbende zijn mitsdien, in de terminologie van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, ‘bedrijfsruimten’.”
2.6. De rechtbank stelt in onderhavige zaak vast dat de woning door meer dan een alleenwonende persoon wordt bewoond en dat de werknemers geen gezin vormen.
2.7. Een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid is aanwezig indien personen, die naar het spraakgebruik geen gezin vormen, gezamenlijk een huishouding voeren welke de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft. De rechtbank overweegt dat er in de periode 2014 tot en met 2016 meerdere personen uit hoofde van hun werkzaamheden in Nederland in wisselende samenstelling in de woning hebben gewoond. Er is dan geen sprake van de voor een gezin kenmerkende sociale cohesie. Niet of onvoldoende aannemelijk is geworden dat er tussen de bewoners enige andere betrekking, samenhang of bindende factor bestaat dan het in de vorm van medegebruik gezamenlijk gebruiken van de sanitaire voorzieningen. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de woning niet wordt bewoond door een met een gezin gelijk te stellen leefeenheid.
2.8. Nu, gelet op het overwogene in 2.5 tot en met 2.7, de woning niet kan worden aangemerkt als een woonruimte, moet deze op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder e, van de Verordening worden aangemerkt als een bedrijfsruimte. Bij het opleggen van de aanslag is daarom terecht daarvan uitgegaan. Niet gesteld of gebleken is dat de aanslag is berekend naar een onjuist aantal vervuilingseenheden.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 7 april 2016, nr. 15/00203, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

5.6. De definitie van het begrip woonruimte in artikel 2, aanhef en onder f, van de Verordening, valt uiteen in twee elementen. Het eerste element vereist de aanwezigheid van een “ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid”. Niet in geschil is dat een dergelijke ruimte in dezen aanwezig is.
5.7. Het tweede element vereist dat onderzocht wordt of er in de ruimte delen zijn te onderkennen die “blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven”. Aandacht verdient, dat de vraag of zich dergelijke afzonderlijke delen voordoen moet worden beantwoord aan de hand van de “inrichting van die ruimte” en niet aan de hand van de “inrichting van die delen”. Indien dergelijke delen wel aanwezig zijn dient te worden beoordeeld (i) of het restant van de ruimte een woonruimte vormt en (ii) of die afzonderlijke delen (ieder voor zich of gezamenlijk) kwalificeren als woon- of bedrijfsruimte.
5.8. Toegespitst op het onderhavige geval dient dus de vraag te worden beantwoord of in het pand delen zijn te onderkennen, c.q. de slaapkamers met bijbehorende badkamers, die, beoordeeld naar de inrichting van het pand (niet naar de inrichting van de slaapkamers met bijbehorende badkamers) bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven.
5.9. Voorts verdient aandacht dat het begrip “afzonderlijk” in de zinsnede “afzonderlijk in gebruik ... geven” aansluit bij het begrip “afzonderlijk” zoals dat wordt gebruikt in de definitie van het begrip bedrijfsruimte in artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening. Van een deel bestemd om “afzonderlijk in gebruik te worden gegeven” in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Verordening c.q. van een “als afzonderlijk geheel te beschouwen” ruimte in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordening, is eerst sprake indien dat deel/die ruimte, voor wat betreft zijn functie, voldoende zelfstandigheid beschikt. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van dat deel/die ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik daarvan op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig (voor meer dan 10%) afhankelijk is van buiten dat deel/die ruimte aanwezige voorzieningen. In dat laatste het geval dan bezit dat deel/die ruimte onvoldoende zelfstandigheid. (Vergelijk Hof Amsterdam 27 mei 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6732).
5.13.Het gaat dus in wezen om de vraag of de inrichting van het pand noopt tot de conclusie dat de twee slaapkamers met bijbehorende badkamers bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven, hetgeen slechts het geval zal zijn indien de inrichting van het pand leidt tot de conclusie dat de gebruikers van de slaapkamers met bijbehorende badkamers niet, althans voor niet meer dan 10%, afhankelijk zijn van het gebruik van (voorzieningen in) de rest van het pand.
5.14. Belanghebbende heeft met betrekking tot de inrichting van het pand, het volgende gesteld. Tijdens de zitting van de rechtbank, volgens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal:
- Dit is geen afzonderlijke zelfstandige woning. De bed & breakfast is een integraal onderdeel van het huis. (…) Er is geen eigen voordeur voor gasten. Je loopt door mijn familie. De gasten maken onderdeel uit van mijn leven.
In het beroepschrift in eerste instantie:
- Er zijn slaapkamers die onderdeel zijn van de eigen woning.
- In die slaapkamers slapen gasten die het gebruik van een grotere deel van de woning dan alleen het deel van die slaapkamers tijdelijk delen met eigenaar/bewoner.
- De woning en de twee kamers die voor logies gebruikt worden hebben een en dezelfde entree.
- De bewoner en de gasten delen de enige keuken in de woning.
(…)
- Gasten gebruiken de tuin om buiten te kunnen roken of om in de zomer ‘s avonds op het terras te kunnen zitten.
(…)
- Gasten logeren in de eigen woning, maken gebruik van faciliteiten en delen faciliteiten in de woning.
(…)
- Het is de persoonlijke sfeer van de bewoner die wordt met de gast gedeeld en die wordt door de gast ook gezocht en gewenst.
- De slaapkamers voor de gasten zijn slechts onderdeel van, en niet een af te scheiden deel van de woning”.
Ter zitting (zakelijk weergegeven)
- Er wordt door de gasten gebruik gemaakt van de collectieve voorzieningen. Je hebt bijvoorbeeld zitruimtes voor de gasten en zij kunnen bijvoorbeeld in de tuin gaan zitten of gebruik maken van de keuken. Zij maken min of meer onderdeel uit van de familie. Het is een soort ‘social hospitality’.
5.16. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, roept het beeld op van een woonhuis met slaapkamers met bijbehorende badkamers, dat zich niet onderscheidt van andere woonhuizen met dergelijke slaapkamers. De inrichting van het woonhuis biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de slaapkamers bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. De heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust, heeft tegenover hetgeen belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld, omtrent de inrichting niets ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd; een dergelijke onderbouwing zou bijvoorbeeld gevonden kunnen worden in plattegronden/bouwtekeningen, fotomateriaal en/of een omschrijving gebaseerd op feitelijke waarneming. Dergelijk materiaal, of enig ander bewijs, ontbreekt. Het Hof komt daarom tot het oordeel dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat blijkens de inrichting van het pand de twee slaapkamers met bijbehorende badkamers bestemd waren om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. 5.17. Alsdan is de conclusie dat in de ruimte delen zijn te onderkennen die “blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven”. Het pand (inclusief de slaapkamers) vormt één woonruimte. De rechtbank heeft daarom terecht, zij het op andere gronden, de onderhavige aanslag vernietigd.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 21 januari 2016, nrs. 15/00516, 15/00517 en 15/00518, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, geheven door Waternet

4.3.1. De vraag die ingevolge de hiervoor vermelde artikelen eerst beantwoord dient te worden is of het pand in zijn geheel als woonruimte gekwalificeerd kan worden, dan wel of in het pand meerdere ruimtes zijn te onderscheiden. Het Hof oordeelt hieromtrent als volgt.
4.3.2. Naar het oordeel van het Hof kan er als vaststaand van worden uitgegaan dat de twee vertrekken op de begane grond van het pand als vermeld onder 2.1.2 zijn bestemd voor de exploitatie als B&B.
4.3.3. Het Hof is van oordeel dat het gehele pand niet als één afzonderlijke woonruimte in de zin van de Verordening en de Waterschapswet kan worden gekwalificeerd. Het Hof komt tot dit oordeel omdat een gedeelte van het pand, te weten het gedeelte dat voor B&B is bestemd, blijkens de inrichting ervan afzonderlijk in gebruik kan worden gegeven. Het Hof leidt dit af uit het feit dat de B&B-kamers (elk) beschikken over een badkamer met toilet, een kleine koelkast, een zithoek, een waterkoker en een kapstok. De kamers zijn bovendien beide van buitenaf toegankelijk zonder daarbij privé-vertrekken van belanghebbende en haar echtgenote te betreden en zij vormen voorts een afzonderlijke eenheid in zo verre dat zij op de begane grond van het pand zijn gelegen en zijn gescheiden van de hogere verdiepingen die uitsluitend een woonbestemming hebben. Blijkens deze inrichting kan naar het oordeel van het Hof worden gezegd dat deze ruimtes afzonderlijk in gebruik kunnen worden gegeven. Dat een van de twee kamers sedert oktober 2014 door de dochter van belanghebbende wordt gebruikt en dat een (andere) kamer incidenteel door de echtgenoot van belanghebbende wordt gebruikt, maakt dat niet anders.
4.3.4. De tussenconclusie is dat het gehele pand niet als één woonruimte kan worden gezien.
4.4. Tussen partijen is in dat geval niet in geschil dat de verdiepingen een en twee, gezamenlijk met de hal op de begane grond als woonruimte gekwalificeerd kunnen worden. Voorts is niet in geschil dat de B&B-kamers op de begane grond niet als afzonderlijke woonruimte kunnen worden gekwalificeerd wegens het ontbreken van een kookgelegenheid. Het Hof acht dit oordeel juist en ziet geen reden om van een ander oordeel uit te gaan.
4.4.1. Vervolgens is in geschil of het B&B-deel van het pand als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 2, aanhef en onder g, van de Verordeningen kan worden gekwalificeerd. Ingevolge deze bepaling is een bedrijfsruimte een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte. Uit de woorden “als afzonderlijk geheel te beschouwen” leidt het Hof af dat van een bedrijfsruimte eerst sprake is indien de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, voldoende zelfstandigheid beschikt. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de bedrijfsruimte op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. In dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid. (Vergelijk Hof Amsterdam 27 mei 2004, nr. 03/01918, BB 2004/1143).
4.4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat het B&B-deel meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten die ruimte aanwezige voorzieningen. Zo heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat het ontbijt voor de gasten wordt klaargemaakt in de keuken van de woonruimte, dat het linnengoed wordt gewassen en gestreken in de woonruimte, dat de boekhouding van de B&B-onderneming wordt verricht vanuit de woonruimte en dat er voor de woonruimte en het B&B-deel een gezamenlijke warmwatervoorziening is. De heffingsambtenaar heeft betwist dat het B&B-deel meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten dat deel aanwezige voorziening.
4.4.3. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende. Weliswaar worden bepaalde diensten (zoals wassen, strijken en het maken van het ontbijt) buiten het B&B-deel verricht, maar naar het oordeel van het Hof duidt de term ‘buiten de ruimte aanwezige voorzieningen’ in het bijzonder op fysieke voorzieningen, zoals bijvoorbeeld sanitaire voorzieningen, en niet tevens op diensten zoals deze door belanghebbende worden verricht. Deze diensten kunnen derhalve niet worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van voldoende zelfstandigheid. Gezien de onder 4.3.3 geschetste aard en inrichting van de B&B-kamers beschikken deze kamers, bezien vanuit hun bedrijfsfunctie, over voldoende zelfstandigheid. Het feit dat de woonruimte en het B&B-deel een gezamenlijke warmwatervoorziening hebben en een gezamenlijke entree (nog los van het feit dat een van de twee kamers via een afzonderlijke voordeur bereikbaar is), is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het B&B-deel meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten dat deel aanwezige voorzieningen. Uit het voorgaande volgt dat het B&B-deel een bedrijfsruimte vormt in de zin van de Verordeningen.
4.4.4. De conclusie is derhalve dat het pand bestaat uit een woonruimte (waarvoor afzonderlijke aanslagen zijn opgelegd) en een bedrijfsruimte (waarvoor de in geschil zijnde aanslagen zijn opgelegd). In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de aanslagen naar het juiste bedrag zijn opgelegd.
Hier te raadplegen

Hof Den Haag 27 maart 2013, nr. 12/00358, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar althans zakelijk gerechtigde van het perceel a-straat 1 te Q. Dit perceel bestaat uit drie etages. Op elk van die etages woont één persoon. De begane grond bestaat uit een kamer, een keuken en een toilet. De eerste verdieping bestaat uit een kamer met keukenblok en een badkamer met douche, bad en toilet. De tweede verdieping bestaat uit een kamer met keukenblok. De badkamer op de eerste verdieping is door belanghebbende aan alle bewoners gemeenschappelijk in gebruik gegeven.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat elk van de onderhavige etages is aan te merken als een woonruimte in de zin van artikel 18, lid 2, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: WVO) en van artikel 2, onderdeel d, van de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht 1986 (hierna: de Verordening). Tegen dit oordeel keren zich terecht de klachten.
3.3. Onder woonruimten in de zin van artikel 18, lid 2 WVO - en het daarmee overeenstemmende begrip woonruimte in de zin van artikel 2 van de Verordening - kunnen worden begrepen gedeelten van gebouwen, mits het gaat om gedeelten die, voor wat betreft de woonfunctie, voldoende zelfstandigheid bezitten. Deze zelfstandigheid dient te worden afgeleid uit de inrichting van het gebouw, waarbij bepalend is in hoeverre de gebruiker van het desbetreffende gedeelte afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige, voor de woonfunctie wezenlijke voorzieningen (HR 23 juli 1984, nr. 22 216, BNB 1984/283).
3.4. Gelet op de onder 3.1 vermelde omstandigheden heeft het Hof ten onrechte de onderhavige etages aangemerkt als afzonderlijke woonruimten in voormelde zin. Van een ruimte waaraan een wezenlijke voorziening als een eigen bad- of douchegelegenheid en/of een toilet ontbreekt, kan immers niet worden gezegd dat de gebruiker ervan slechts bijkomstig van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen afhankelijk is (HR 23 juli 1984, nr. 22 178, BNB 1984/282). De omstandigheid dat de gemeenschappelijke badkamer zich op de eerste verdieping bevindt, doet niet eraan af dat ook aan de bewoner van deze verdieping geen eigen badkamer ter beschikking staat zodat ook deze bewoner geen afzonderlijke woonruimte in gebruik heeft.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem 11 september 2012, nr. 11-00822, zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland, geheven door de Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR)

2.1. Belanghebbende verzorgt bewaringsdiensten voor leegstaande onroerende zaken. Zij sluit hiertoe overeenkomsten met de eigenaren van de onroerende zaken en met derden die de onroerende zaak gaan bewonen (de oppassers). Een van de onroerende zaken waarvoor belanghebbende bewaringsdiensten verzorgt is a-straat 1 te Q (hierna: het pand).
2.2. Het pand bestaat uit een winkelruimte op de benedenverdieping en een daarboven gelegen opslagruimte. Krachtens een overeenkomst met belanghebbende bewonen in het onderhavige jaar twee oppassers dit pand. Eén van hen bewoont de winkelruimte, de ander de opslagruimte. De oppassers delen sanitaire voorzieningen en een keuken op de begane grond.
4.2. Het pand is een als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte.
4.3. De oppassers bewonen elk een gedeelte van het pand, waarvan zij exclusief het gebruik hebben. Deze delen zijn door belanghebbende bestemd om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven en daartoe ingericht. Uit artikel 1, aanhef en onderdeel e, van de verordening vloeit dan voort dat het pand geen woonruimte in de zin van de Verordening is.
4.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het pand op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel f, van de Verordening een bedrijfsruimte in de daar bedoelde zin is.
Hier te raadplegen

Rechtbank Den Haag 19 april 2012, nrs. 11/9885, 11/9887, 11/9888 en 11/9889, verontreinigingsheffing en zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Delfland, geheven door de Regionale Belasting Groep te Delft

8. Uit hetgeen partijen over en weer in de stukken van het geding hebben aangevoerd en ter zitting hebben verklaard maakt de rechtbank op dat eiseres in het pand haar bedrijf uitoefent en dat [A] met zijn gezin in het pand woont. Het deel van het pand waarin eiseres haar bedrijf uitoefent en het deel van het pand waarin [A] met zijn gezin woont, staan met elkaar in verbinding. Binnen het deel van het pand waar [A] met zijn gezin woont bevindt zich een kantoorruimte die aan eiseres ter beschikking staat. Binnen het deel van het pand waarin eiseres haar onderneming drijft zijn de installaties opgesteld waarmee het gehele pand wordt verwarmd en van warm water wordt voorzien. Onder deze omstandigheden vormt naar het oordeel van de rechtbank het deel van het pand waarin [A] met zijn gezin woont geen afzonderlijk deel dat moet worden onderscheiden van het deel van het pand waarin eiseres haar bedrijf uitoefent.
9. Omdat er in het pand geen afzonderlijke woonruimte aanwijsbaar is en in het pand een bedrijf wordt uitgeoefend, dient het pand in de onder 7. aangehaalde terminologie als één bedrijfsruimte te worden aangemerkt (vergelijk HR 23 juli 1984, nr. 22 178, V-N 1984, blz. 1973).
Hier te raadplegen

Rechtbank Den Haag 16 maart 2012, nr. 11/8650, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Delfland, geheven door de Regionale Belasting Groep te Delft

1. De aanslag is met dagtekening 31 juli 2011 opgelegd ter zake van het afvoeren van stoffen uit een door verweerder als bedrijfsruimte aangemerkt gedeelte (hierna: het werkgedeelte) van het pand [a-straat 1] te [Z] (hierna: het pand). Het pand, waartoe een grote tuin behoort, is eigendom van de ouders van eiser, die ook in het pand wonen. Eiser heeft het werkgedeelte van zijn ouders gehuurd; in het werkgedeelte houdt de onderneming van eiser kantoor. Er is maar één watermeter in het pand; een aparte meter voor het in het werkgedeelte verbruikte water ontbreekt.
5. Het aanslagbiljet vermeldt dat de opgelegde aanslag een "aanslag bedrijfsruimte" is. Ook in de overige van hem afkomstige stukken van het geding gaat verweerder ervan uit dat eiser de zuiveringsheffingverschuldigd is voor het afvoeren van stoffen vanuit een bedrijfsruimte. Eiser heeft dit uitgangspunt niet weersproken. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Naar haar oordeel voldoet het gedeelte aan de omschrijving van een bedrijfsruimte in artikel 1, aanhef en onderdeel f, van de Verordening: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte die geen woonruimte is. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de stukken van het geding en hetgeen eiser hierover ter zitting heeft verklaard, volgt dat in het gedeelte een keukenblok met kraan en een toilet aanwezig zijn, dat het gedeelte als kantoorunit is ingericht en wordt gebruikt en dat het gedeelte door een deur is afgescheiden van het door de ouders van eiser bewoonde deel van het pand.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 10 januari 1996, nr. 30.584, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

8.1. Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende al dan niet heffingsplichtig is, moet gelet op artikel 3, derde lid, onderdelen a en b in verbinding met artikel 1, aanhef en onderdelen e en f van de Verordening eerst worden beoordeeld of het pand dan wel de zich daarin bevindende afzonderlijke ruimten zijn aan te merken als woonruimte in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel e van de Verordening.
8.2. Het begrip woonruimte in de Verordening dient in overeenstemming met artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet te worden opgevat. Deze bepaling is ontleend aan het voor de invoering van die bepaling geldende artikel 18, tweede lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De in deze laatste wetsbepaling getroffen regeling voor de heffing van een forfaitair bepaald gelijk bedrag per woonruimte heeft tot strekking de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang ongeveer gelijke vervuiling, te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning. Gelet op deze strekking is het niet juist om in gevallen waarin in een gebouw geen afzonderlijke woonruimten aanwijsbaar zijn, doch het gebouw niettemin door meer dan een alleenwonende persoon, of meer dan een gezin dan wel andere leefeenheid wordt bewoond, toch het gehele gebouw als woonruimte in de heffing te betrekken.
8.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de aan de studenten ter bewoning verhuurde ruimten niet zijn aan te merken als afzonderlijke woonruimten. Vaststaat dat van een gezin geen sprake is. Het geschil is beperkt tot de vraag of de huurders een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid vormen.
8.3.2. Een met een gezin gelijk te stellen andere leefeenheid is aanwezig indien personen, die naar het spraakgebruik geen gezin vormen, gezamenlijk een huishouding voeren welke de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft.
8.3.3. In het onderhavige geval is een zodanige leefeenheid niet aanwezig, omdat de voor een gezin kenmerkende duurzaamheid in de personele samenstelling ontbreekt. Uit het tot de gedingstukken behorende overzicht van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat van 2008 tot en met 2011 in totaal tien personen in wisselende samenstelling het pand hebben bewoond. Dit verhindert de voor een gezin kenmerkende sociale cohesie.
Onvoldoende aannemelijk geworden is dat er tussen de huurders enige andere betrekking, samenhang of bindende factor bestaat dan het in de vorm van medegebruik gezamenlijk gebruiken van de woonkamer en keuken en het hebben van een lidmaatschap van dezelfde studentenvereniging. De omstandigheid dat aan een nieuwe bewoner alleen met toestemming van de zittende bewoners een huurovereenkomst wordt aangeboden, doet aan dit oordeel niet af. Zij zijn niet lid van eenzelfde jaarclub dan wel eenzelfde dispuut en zijn van verschillende aankomstjaren en studies. Gesteld noch gebleken is dat zij, buiten het in voorkomende gevallen gezamenlijke verblijf in de woonkamer en gezamenlijk nuttigen van de avondmaaltijd, gezamenlijk activiteiten - al dan niet buitenshuis - ondernemen.
8.3.4. Op grond van het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat het pand niet wordt bewoond door een met een gezin gelijk te stellen leefeenheid. Aan dit oordeel doet niet af dat de afdeling Toezicht Gebouwen van de gemeente Rotterdam de bewoners van het verenigingshuis heeft aangemerkt als woongroep.
8.4. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het pand moet worden aangemerkt als bedrijfsruimte.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 14 juni 1995, nr. 30.078, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, een stichting, verleent met hulp van vrijwilligers in het onderhavige - als één geheel aan te merken - pand huisvesting en begeleiding aan personen die om uiteenlopende redenen tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen. Het betreft in de regel 10 tot 12 personen die gemiddeld een half jaar in het pand wonen. Deze personen verzorgen gezamenlijk, onder begeleiding van medewerkers van de stichting, de huishouding en gebruiken gezamenlijk de maaltijden. De kosten van de huishouding worden uit één budget betaald. Iedere bewoner is aan de stichting een geldelijke bijdrage verschuldigd ter zake van zijn verblijf in het pand. Zowel overdag als 's nachts zijn twee medewerkers in het pand aanwezig.
3.2. In geschil is of het in 3.1 vermelde pand als "woonruimte" dan wel als "bedrijfsruimte" moet worden aangemerkt in de zin van artikel 2, onder d, van de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht.
3.3. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat in het pand geen afzonderlijke woon- ruimten aanwijsbaar zijn. Daarvan uitgaande heeft het Hof de vraag of het pand is aan te merken als woon- ruimte terecht ervan doen afhangen (HR 23 juli 1984, nr. 22.178, BNB 1984/282) of het pand ten dienste staat aan een gezin of een daarmee op één lijn staande leefeenheid. Die vraag heeft het Hof terecht ontkennend beantwoord. Het in 3.1 overwogene laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de bewoners van het onderhavige pand door de stichting en haar medewerkers dag en nacht worden opgevangen en begeleid en dat hun huisvesting onder verantwoordelijkheid van de stichting en haar medewerkers plaats vindt. Alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een woon- ruimte die ten dienste staat van een gezin of een daarmee gelijk te stellen leefeenheid. Het van een andere opvatting uitgaande middel onder A faalt derhalve.
Hier te raadplegen

AANTAL HEFFINGSOBJECTEN

Rechtbank Rotterdam 14 februari 2017, nrs. 16/4643 en 16/4644, verontreinigingsheffing Waterschap Hollandse Delta

1. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een bedrijfsruimte waarin een fitness-, wellness- en ontspanningscentrum geëxploiteerd wordt. Het wellnessgedeelte van die ruimte wordt met ingang van 1 januari 2014 en voorlopig tot 1 januari 2019 verhuurd aan [A 1] B.V. ([A 2]). Ter zitting heeft eiseres verklaard dat [A 2] failliet is gegaan en een doorstart maakt.
2. In geschil is of verweerder de aanslagen terecht aan eiseres heeft opgelegd (...). Verweerder stelt dat de aanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd (...). Eiseres stelt dat de aanslagen hadden moeten worden opgelegd aan de huurder, zijnde [A 2] (...).
4.1. De belangrijkste vraag die verder voorligt is of de bedrijfsruimte in gebruik bij [A 2] een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel is te beschouwen zoals bedoeld in artikel 1 van de Verordeningen zuiveringsheffing waterschap Hollandse Delta 2014 en 2015 (verordeningen). Immers als dat zo is moeten de aanslagen worden gesplitst en gedeeltelijk aan [A 2] worden opgelegd.
4.2. Eiseres heeft ter zitting een korte beschrijving gegeven van de indeling van het gebouw en de manier waarop het wordt gebruikt. Het gebouw bestaat, aldus eiseres, uit twee delen. Het deel waarvan [A 2] gebruik maakt is later aangebouwd. Het andere deel van het gebouw wordt door eiseres gebruikt voor de exploitatie van een fitnesscentrum. Er zijn geen gemeenschappelijk ruimten met [A 2], omdat het karakter van [A 2] zich daar niet voor leent nu er ook naakt wordt gerecreëerd, wat in het fitnesscentrum niet het geval is. Er is alleen een gemeenschappelijk ingang. Zowel het fitnesscentrum als [A 2] hebben een afzonderlijke receptie en een afzonderlijke watermeter. Dat in het huurcontract wel is vermeld dat er sprake is van gemeenschappelijke ruimten, komt volgens eiseres omdat het een standaardhuurcontract is. In de feitelijke situatie is geen sprake van gemeenschappelijke ruimten. Verweerder heeft deze beschrijving van eiseres niet betwist. De rechtbank is het, gezien deze beschrijving, met eiseres eens dat de ruimte die [A 2] gebruikt naar zijn aard en inrichting een afzonderlijk geheel is in de zin van artikel 1 van de verordeningen.
4.3. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordeningen wordt degene die het gebruik heeft van de bedrijfsruimte aan de heffing onderworpen. Dat betekent dat in dit geval eiseres heffingsplichtig is, maar niet voor [A 2]. Verweerder heeft de aanslagen voor wat betreft [A 2] dus ten onrechte aan eiseres opgelegd. Ook om deze reden moeten de aanslagen worden vernietigd en zullen de beroepen gegrond worden verklaard.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2015, 14/00790 t/m 14/00792, zuiveringsheffing Waterschap Hunze en Aa’s, geheven door Hefpunt

4.2 De volgende vraag waar het Hof zich voor ziet gesteld is of sprake is van drie heffingsobjecten, dat wil zeggen bedrijfsruimten, dan wel van slechts een bedrijfsruimte. De cijfermatige juistheid van de wederzijdse standpunten van partijen is niet in geschil.
4.3 Het Hof is van oordeel dat elk van de drie percelen die als woonruimte door studenten worden gebruikt, alle voorzieningen kent die heden ten dage in redelijkheid aan woonruimte mogen worden gesteld. De vaststaande feiten in het geding kunnen niet tot een andersluidende conclusie leiden. Slechts de wateraanvoer en de afvoer van verbruikt water geschiedt door middel van een gemeenschappelijke centrale wateraanvoer en -afvoer. De afvoer van het verbruikte water via sanitair en aanrecht wordt per perceel geloosd op uiteindelijk een gezamenlijke afvoerpijp voor de drie percelen. Naar ’s Hofs oordeel kan alsdan niet worden gezegd dat de drie percelen tezamen als één heffingsobject moeten worden gekwalificeerd. Het gelijk is aan de heffingsambtenaar.
4.4 De heffingsambtenaar heeft het totale jaarlijkse waterverbruik in drie gelijke delen verdeeld over de drie bedrijfsruimten. Omstandigheden welke aanleiding zouden kunnen zijn om van deze verdeling af te wijken zijn gesteld noch gebleken. Het Hof acht de verdeling van het totale jaarlijkse waterverbruik in drie gelijke delen alsdan niet onredelijk. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om daartoe nadere informatie te verstrekken teneinde tot een andere verdeling te komen dan de heffingsambtenaar heeft toegepast. Nu belanghebbende geen tussenwatermeters heeft laten plaatsen dan wel op andere wijze informatie heeft verzameld over het waterverbruik, strekt dit naar het oordeel van het Hof in zijn nadeel. Belanghebbende is de meest gerede partij om deze informatie te verzamelen en - indien door de heffingsambtenaar betwist - zijn verdeling van het waterverbruik nader te onderbouwen. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.
Hier te raadplegen
Het door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is bij Hoge Raad 18 maart 2016, nr. 15/02274 ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie.

Rechtbank Den Haag 19 april 2012, nrs. 11/9885, 11/9887, 11/9888 en 11/9889, verontreinigingsheffing en zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Delfland, geheven door de Regionale Belasting Groep te Delft

6. Verweerder beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend en voert daartoe het volgende aan. In het pand zijn een bedrijfsruimte en een woonruimte aanwezig. Daarom kan verweerder zowel voor de afvoer van stoffen uit de bedrijfsruimte als voor de afvoer van stoffen uit de woonruimte belastingaanslagen opleggen.
8. Uit hetgeen partijen over en weer in de stukken van het geding hebben aangevoerd en ter zitting hebben verklaard maakt de rechtbank op dat eiseres in het pand haar bedrijf uitoefent en dat [A] met zijn gezin in het pand woont. Het deel van het pand waarin eiseres haar bedrijf uitoefent en het deel van het pand waarin [A] met zijn gezin woont, staan met elkaar in verbinding. Binnen het deel van het pand waar [A] met zijn gezin woont bevindt zich een kantoorruimte die aan eiseres ter beschikking staat. Binnen het deel van het pand waarin eiseres haar onderneming drijft zijn de installaties opgesteld waarmee het gehele pand wordt verwarmd en van warm water wordt voorzien. Onder deze omstandigheden vormt naar het oordeel van de rechtbank het deel van het pand waarin [A] met zijn gezin woont geen afzonderlijk deel dat moet worden onderscheiden van het deel van het pand waarin eiseres haar bedrijf uitoefent.
9. Omdat er in het pand geen afzonderlijke woonruimte aanwijsbaar is en in het pand een bedrijf wordt uitgeoefend, dient het pand in de onder 7. aangehaalde terminologie als één bedrijfsruimte te worden aangemerkt (vergelijk HR 23 juli 1984, nr. 22 178, V-N 1984, blz. 1973).
Hier te raadplegen

RECREATIEWONING OP VERBLIJFSRECREATIETERREIN

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli 2017, nr. 16_3809, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Brabantse Delta, geheven doorBelastingsamenwerking West-Brabant

4.3.1. Belanghebbende heeft met betrekking tot de aanslagen zuiveringsheffing gesteld dat sprake is van een recreatieterrein in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing en dat daarom niet aan hem maar aan [terrein A] aanslagen hadden moeten worden opgelegd. De heffingsambtenaar heeft dit standpunt betwist mede met verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof ’s Hertogenbosch 26 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8697.
4.3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de woningen op [terrein A] in volle eigendom zijn van verschillende eigenaren. De paden, omheiningen en de aanwezige collectieve voorzieningen zijn eigendom van de VVE. Naar de rechtbank begrijpt wordt de woning van belanghebbende permanent gebruikt voor huisvesting van buitenlandse werknemers, en geldt dat ook voor een aantal andere woningen op het terrein. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat het terrein van [terrein A] geen gedeelde voorzieningen kent zoals een slagboom, de aanwezigheid van een parkplattegrond op het terrein, een centrale balie/receptie, wasgelegenheid en toiletvoorzieningen zoals op een verblijfsrecreatieterrein gebruikelijk is. De rechtbank is gelet op alle voornoemde omstandigheden van oordeel dat geen sprake is van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden dat sprake is van collectieve parkeervoorzieningen, riolering, paden en verlichting, omheiningen en groen, zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Opmerking verdient verder dat indien [terrein A] wel als recreatieterrein zou kunnen worden aangemerkt, dit nog niet meebrengt dat ter zake van de woning van belanghebbende bij [terrein A] en niet bij belanghebbende geheven moet worden. Voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing moet immers ook sprake zijn van een ‘voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte’ (vgl. HR 15 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AS2768). Gelet op het gebruik van de woning kan niet worden gezegd dat deze voor recreatiedoeleinden bestemd is.
Hier te raadplegen

Rechtbank Overijssel 6 april 2017, nr. 16/2603,16/2604 en 16/2605, zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe, geheven door het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT)

1. Eiser is eigenaar en gebruiker van een woning op [bungalowpark] te [woonplaats] . Eiser gebruikt deze woning voor permanente bewoning. Hij staat in de Basisregistratie personen op het adres [adres] ingeschreven.
2. Verder heeft eiser - kort samengevat - aangevoerd dat hij de aanslagen zuiveringsheffing 2015 en 2016 heeft betaald aan [bungalowpark] en dat, nu hij ook persoonlijk wordt aangeslagen, sprake is van een dubbele heffing.
4.11. Voor wat betreft het betoog van eiser dat sprake is van dubbele heffingen, overweegt de rechtbank, in navolging van verweerder, dat naast eiser ook [bungalowpark] zelfstandig heffingsplichtig is. Deze heffingsplicht omvat echter niet de voor woondoeleinden bestemde woonruimten, zoals bijvoorbeeld de woonruimte van eiser, maar de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten en de eventueel andere objecten niet zijnde woonruimten, die tot het recreatieterrein behoren. Dit volgt uit artikel 17 van de Verordening. Hiervoor ontvangt [bungalowpark] zelfstandig aanslagen. De woonruimte van eiser vormt geen onderdeel van de bedrijfsruimte waarvoor [bungalowpark] wordt aangeslagen. Er is derhalve sprake van twee afzonderlijke heffingen. Dat [bungalowpark] de aanslagen (mogelijk) heeft doorberekend aan eiser valt buiten de omvang van dit geding. Indien deze doorberekening te hoog uitvalt, kan eiser zich tot de directie van het [bungalowpark] richten.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 17 februari 2017, nr. 16/02411, rioolheffing 2013 gemeente Goeree-Overflakkee

2. 2.1.1. Belanghebbende is eigenaar van “[A]”, een aan de [a-straat] te [Z] gelegen bungalowpark (hierna: het bungalowpark). Het bungalowpark bestaat uit een perceel grond, de daarop aangelegde infrastructuur en de daarop gebouwde eigendommen, waaronder 181 recreatiewoningen, een ontvangstgebouw, een taveerne, een spartelbad en een tennisveld.
2.1.2. Belanghebbende verleent aan haar leden het recht om een recreatiewoning op het bungalowpark te gebruiken. Het lid aan wie een gebruiksrecht is verleend, kan de recreatiewoning zelf gebruiken of verhuren. Voor de verhuur kan hij gebruik maken van diensten verleend door de daartoe door belanghebbende opgerichte Stichting Servicebureau [B]. Een deel van de recreatiewoningen wordt verhuurd. Dat gebeurt onder marktomstandigheden overeenstemmend met die waaronder commerciële exploitanten van recreatieterreinen opereren.
2.2. Artikel 16, letter e, van de Wet WOZ heeft betrekking op, voor zover hier van belang: een geheel van twee of meer eigendommen, gedeelten daarvan of samenstellen van (gedeelten van) eigendommen “dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd.” Het Hof heeft geoordeeld dat de reikwijdte van de woorden “als zodanig wordt geëxploiteerd” niet beperkt is tot exploitatie met een winstoogmerk. Exploitatie in welke vorm dan ook volstaat om te voldoen aan het vereiste dat een recreatieterrein “als zodanig wordt geëxploiteerd”, aldus het Hof. Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard en de aanslagen verminderd tot € 142 per recreatiewoning. De klacht komt op tegen dit oordeel.
2.3.1. In cassatie is niet bestreden de vaststelling van het Hof dat het bungalowpark een geheel van twee of meer eigendommen, gedeelten daarvan of samenstellen van (gedeelten van) eigendommen is dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt.
2.3.2. Zoals in de onderdelen 5.5 en 5.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is uiteengezet, heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat de reikwijdte van de woorden “als zodanig wordt geëxploiteerd” in artikel 16, letter e, van de Wet WOZ niet beperkt is tot exploitatie met een winstoogmerk.
2.4. Volgens de klacht heeft het Hof miskend dat slechts sprake is van één terrein dat “als zodanig geëxploiteerd wordt” indien het terrein als één geheel, met inbegrip van de op het terrein gelegen recreatiewoningen, door de eigenaar zelf wordt geëxploiteerd.
2.5. De klacht faalt. In de tekst van artikel 16, letter e, van de Wet WOZ noch in de geschiedenis van haar totstandkoming zijn aanknopingspunten te vinden voor de door het College verdedigde beperkte opvatting. Het moet er daarom voor worden gehouden dat voor de toepassing van die bepaling enkel is vereist dat het voor recreatie bestemde terrein als zodanig, dat wil zeggen: overeenkomstig die bestemming, wordt geëxploiteerd. Daarom is niet van belang door welke persoon of personen de exploitatie van het terrein plaatsvindt. Evenmin is van belang aan welke persoon of personen de exploitatie-opbrengst toekomt.
Hier te raadplegen

Rechtbank Oost-Brabant 30 augustus 2016, nr. 15/2974, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

2. Daarnaast heeft eiseres als beroepsgrond aangevoerd dat de 39 recreatiewoningen, die zij in beheer heeft, worden verhuurd aan arbeidsmigranten, en dat deze recreatiewoningen daarom niet langer voor recreatiedoeleinden zijn bestemd. Verweerder had deze recreatiewoningen dan ook moeten aanmerken als woonruimten en daarbij het forfaitaire tarief van artikel 16, eerste lid, van de Verordening moeten toepassen.
3. Ingevolge artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet (Wsw) wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op één of drie vervuilingseenheden (forfaitaire heffing).
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel Wsw is het eerste lid niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Deze woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
4. De door verweerder op grond van de Wsw vastgestelde Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2014 (hierna: de Verordening) bepaalt in het eerste lid van artikel 3, voor zover hier van belang, dat ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting wordt geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat aan de heffing ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte wordt onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte; (…)
5. Artikel 16, tweede lid, van de Verordening bepaalt (in lijn met artikel 122h, vijfde lid, van de Wsw) dat de in het eerste lid en hiervoor beschreven forfaitaire heffing niet van toepassing is op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel een onderdeel van een bedrijfsruimte.
8. De rechtbank is van oordeel dat de huidige verhuur aan en gebruik door arbeidsmigranten niet maakt dat de betreffende recreatiewoningen niet langer zijn aan te merken als voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten, in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Verordening. De bestemming van de woningen, die zijn gelegen op een recreatieterrein, blijft immers hetzelfde. Ter zitting is bovendien gebleken dat sprake is van een situatie waarin de gemeente slechts gedoogt dat de voor verblijfsrecreatie bestemde woningen aan arbeidsmigranten worden verhuurd. De rechtbank is verder van oordeel dat ook aan de overige vereisten van artikel 16, tweede lid, van de Verordening is voldaan. Uit de tussen eiseres en [bedrijfsnaam 1] gesloten huurovereenkomst blijkt dat het object aan de [adres] aan eiseres is verhuurd. Niet in geding is dat dit terrein als bestemming recreatie heeft. De statutaire doelomschrijving van eisers behelst de exploitatie van een recreatie-/bungalowpark “in de ruimste zin”. Uit het door eiseres overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat eiseres aan de [adres] als bedrijfsactiviteit heeft ‘het verhuur van vakantiehuisjes en appartementen en de exploitatie van een hotel/restaurant’. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in 2014 sprake was van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig ook door eiseres werd geëxploiteerd. Verweerder heeft terecht toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Verordening.
Hier te raadplegen

Rechtbank Oost-Brabant 30 augustus 2016, nr. 15/2973, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

De aanslag zuiveringsheffing 2014 (hierna: de aanslag) heeft betrekking op het adres [adres] . Op dit adres bevindt zich Recreatiecentrum [naam] , dat door eiseres wordt geëxploiteerd. Het park omvat onder meer 69 recreatierecreatiewoningen, waarvan er 41 in beheer zijn bij eiseres en 28 in particuliere eigendom. Tevens omvat het park een campingterrein voor 80 seizoens- en jaarplaatsen met sanitaire voorzieningen.
Geschil en beoordeling
1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in beginsel alle recreatiewoningen, gelegen op het recreatieterrein, op de voet van artikel 16, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2014 (hierna: de Verordening) gezamenlijk in de aanslag van het recreatieterrein betrokken dienen te worden. Omdat in het verleden voor een aantal recreatiewoningen in particulier eigendom evenwel afzonderlijke aanslagen aan de eigenaren zijn opgelegd, heeft verweerder de betreffende recreatiewoningen op grond van het vertrouwensbeginsel ook voor het jaar 2015 buiten de aanslag van eiseres gelaten door ter zake een aftrek voor watergebruik toe te passen.
2. Eiseres is van mening dat voor alle 28 recreatiewoningen in particulier eigendom een aftrek dient plaats te vinden, nu zij niet als gebruiker van die woningen valt aan te merken. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat de 41 recreatiewoningen, die zij zelf in beheer heeft, worden verhuurd aan arbeidsmigranten, en deze recreatiewoningen daarom niet langer voor recreatiedoeleinden zijn bestemd. Verweerder had deze 41 recreatiewoningen daarom moeten aanmerken als woonruimten en het forfaitaire tarief van artikel 16, eerste lid, van de Verordening moeten toepassen.
(...)
4. Ingevolge artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet (Wsw) wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd gesteld op één of drie vervuilingseenheden (forfaitaire heffing). Ingevolge het vijfde lid van dit artikel Wsw is het eerste lid niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Deze woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.
5. De door verweerder op grond van de Wsw vastgestelde Verordening bepaalt in het eerste lid van artikel 3, voor zover hier van belang, dat ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting wordt geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat aan de heffing ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte wordt onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte; (…)
6. Artikel 16, tweede lid, van de Verordening bepaalt (in lijn met artikel 122h, vijfde lid, van de Wsw) dat de in het eerste lid en hiervoor beschreven forfaitaire heffing niet van toepassing is op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel een onderdeel van een bedrijfsruimte.
7. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de omstandigheid dat sprake is van recreatiewoningen in particulier eigendom er niet aan in de weg staat dat die recreatiewoningen mede in de aanslag van het door eiseres geëxploiteerde recreatieterrein worden betrokken. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, welk artikel de voorganger is van het huidige artikel 122h, vijfde lid, van de Waterschapswet, blijkt dat voor de toepassing daarvan - anders dan bij bijvoorbeeld artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ - niet van belang is of er andere eigendomsverhoudingen op het recreatieterrein zijn (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 5, blz. 10). Genoemde bepaling strekt er toe dat alle voor recreatiedoeleinden bestemde woningen op het recreatieterrein, ongeacht de eigendomsverhoudingen, voor de zuiveringsheffing worden aangeduid als één bedrijfsruimte dan wel een onderdeel van een bedrijfsruimte. De heffing geschiedt dan niet op grond van het forfaitaire tarief voor woonruimte, maar op basis van meting, bemonstering en analyse van de vervuilingswaarde, gebaseerd op de inname van het aantal m³ aan water. Dat is slechts anders voor recreatiewoningen die vrijstaand zijn en zich niet bevinden op een verblijfsrecreatieterrein. De rechtbank verwijst voor een uitvoerige uiteenzetting van de wetsgeschiedenis kortheidshalve naar de uitspraak van 6 augustus 2015 van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2015:3436).
9. Het door verweerder in acht te nemen vertrouwensbeginsel noodzaakt ten slotte niet tot een verdergaande handelwijze in strijd met de wettelijke bepalingen dan in het verleden is geschied. De beroepsgrond dat verweerder, naast de recreatiewoningen waarvoor in het verleden reeds een aftrek is toegepast, ook voor de andere recreatiewoningen in particulier eigendom een aftrek dient toe te passen, slaagt derhalve niet.
10. De rechtbank is van oordeel dat de huidige verhuur aan en gebruik door arbeidsmigranten niet maakt de betreffende recreatiewoningen, niet langer zijn aan te merken als voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten, in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Verordening. De bestemming van de woningen, die zijn gelegen op een recreatieterrein, blijft immers hetzelfde. Ter zitting is bovendien gebleken dat sprake van een situatie waarin de gemeente slechts gedoogt dat de voor verblijfsrecreatie bestemde woningen aan arbeidsmigranten worden verhuurd.
Niet in geding is ten slotte dat recreatiecentrum [naam] door eiseres wordt geëxploiteerd en dat in 2014 nog steeds sprake was van exploitatie van het terrein in de vorm van verhuur van 80 seizoen- en jaarplaatsen. Blijkens de hierboven onder 7. gememoreerde wetsgeschiedenis is voldoende dat sprake is van enigerlei vorm van exploitatie van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1987/1988, 20 435, nr. 7, blz. 7-8).
11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 6 augustus 2015, nrs. 13/00567, 13/00568 en 13/00569, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

4.5.1. Op grond van de tekst van artikel 122h, vijfde lid, Waterschapswet (hierna ook: de bepaling voor recreatieterreinen) en de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis komt het Hof tot de volgende oordelen.
4.5.2. De opvatting van de heffingsambtenaar dat het begrip ‘voor recreatiedoeleinden bestemd terrein’ van artikel 122h, vijfde lid, Waterschapswet op dezelfde wijze moet worden geïnterpreteerd als het identieke begrip in artikel 16, onderdeel e, Wet WOZ, wordt verworpen. De wettelijke context van de laatstgenoemde bepaling, alsmede de strekking van artikel 16 Wet WOZ, is een andere dan die van de heffingsbepaling van artikel 122h Waterschapswet; ingevolge artikel 16 Wet WOZ kunnen eigendommen die verschillende genothebbenden krachtens eigendom of beperkt recht hebben, niet tot één en hetzelfde belastingobject in de zin van artikel 16 behoren. Dit geldt ook voor de samenstelbepalingen van artikel 16, onderdelen d en e, Wet WOZ, zoals in de onder 4.4.9 geciteerde wetgeschiedenis is opgemerkt, onder verwijzing naar de systematiek van artikel 16 (vgl. HR 14 februari 2003, nr. 37.679, BNB 2003/114). In de wetsgeschiedenis van de bepaling voor recreatieterreinen is daarentegen uitdrukkelijk overwogen (zie de slotzin van het onder 4.4.4 opgenomen citaat) dat de ‘eigendomssituatie’ geen relevant criterium is voor de interpretatie van deze bepaling. Dit – zo begrijpt het Hof – in verband met de strekking van de regeling, zoals uiteengezet in de onder 4.4.3 geciteerde memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel, waarin is vermeld dat het onbillijk werd geacht om aan eigenaren van recreatiewoningen die zich ‘bevinden op’ een recreatieterrein (dat wil zeggen: ongeacht de eigendomsverhoudingen), een forfaitair berekende aanslag van (thans) drie vervuilingseenheden op te leggen. In de onder 4.4.7 geciteerde Kamerstukken is uitdrukkelijk bevestigd dat de eigendomsverhoudingen niet relevant zijn voor de toepassing van deze bepaling. Aan de andere kant is in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk overwogen (zoals weergegeven onder 4.4.3) dat deze is beperkt tot “de categorie van de recreatiewoonruimten op verblijfsrecreatieterreinen” en zich niet uitstrekt tot “vrijstaande recreatiewoonruimten”. Het beslissende punt is derhalve onder welke omstandigheden gesproken kan worden van ‘een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd’.
4.5.3. Naar het oordeel van het Hof dienen beide aspecten van de hiervoor genoemde definitie in onderlinge samenhang te worden getoetst. Gelet hierop verwerpt het Hof het standpunt van de heffingsambtenaar dat van een ‘voor verblijfsrecreatie bestemd terrein’ (waarbij het blijkens de wetsgeschiedenis gaat om de feitelijke en niet de planologische bestemming) slechts kan worden gesproken indien sprake is van een terrein dat niet wordt doorsneden door (onder)grond van een andere eigenaar, zoals in casu de onder 2.5 vermelde strook (ondergrond van) water van twee meter breed. Ook twee stukken grond met tussenliggend water kunnen in beginsel als één voor recreatie bestemd terrein worden aangemerkt, mits zij (mede door aard en inrichting) als één geheel (‘als zodanig’) worden geëxploiteerd. Daarvan kan ook sprake zijn (anders dan de heffingsambtenaar heeft gesteld) zonder dat het desbetreffende terrein is afgebakend met hekken of andere markeringen. Op de invulling van dit laatste begrip (‘als zodanig (…) geëxploiteerd’) komt het in het onderhavige geval derhalve aan bij de toepassing van deze bepaling.
4.5.4. Weliswaar stelt belanghebbende terecht dat geen sprake behoeft te zijn van exploitatie met een winstoogmerk. Echter, zijn standpunt dat reeds het (louter) behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de individuele eigenaren van de recreatiewoningen op een terrein een ‘exploitatie’ oplevert als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Verordening, miskent dat daar meer voor nodig is dan het behartigen van gemeenschappelijke belangen. Mede gelet op de uit de wetsgeschiedenis blijkende strekking van de bepaling is het Hof van oordeel dat daarvoor sprake moet zijn van een bepaalde mate van (bedrijfsmatige) exploitatie van het recreatieterrein ‘als zodanig’. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien zich op het terrein bepaalde voorzieningen of bouwwerken bevinden, zoals bijvoorbeeld een kantine, en dat terrein als zodanig door een exploitant wordt geëxploiteerd; dan wel indien het terrein zelve (bijvoorbeeld een natuurterrein) als zodanig wordt geëxploiteerd. In de onder 4.4.6 geciteerde memorie van toelichting wordt immers uitdrukkelijk gesproken van “een bedrijfsmatig geëxploiteerd terrein”, terwijl ook in de memorie van antwoord bij het oorspronkelijke wetsvoorstel (zoals weergegeven onder 4.4.4) expliciet wordt gesproken van ‘de andere bedrijfsonderdelen’ (naast de woonruimten) van de exploitant van het terrein.
4.5.5. In het onderhavige geval is niet in geschil dat zich in de jaren 2010 tot en met 2012 op de legakkers en in het omringende water geen bouwwerken of gemeenschappelijke voorzieningen bevinden die door de vereniging worden geëxploiteerd. Ook overigens zijn naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die ertoe zouden kunnen leiden dat van een bedrijfsmatige exploitatie van de legakkers ‘als zodanig’ kan worden gesproken. De omstandigheden dat de vereniging de belangen van haar leden behartigt en dat de eigenaren in het verband van de vereniging het gezamenlijke onderhoud verrichten aan de legakkers en het water, alsmede bepaalde gezamenlijke voorzieningen hebben gefinancierd, leveren immers geen exploitatie door haar of één van de leden op van een terrein ‘als zodanig’, in de zin van artikel 122h, vijfde lid, Waterschapswet en het (mede) hierop gebaseerde artikel 19, tweede lid, van de Verordening.
Hier te raadplegen

BELASTBAAR FEIT

Hoge Raad 29 april 2016, nr. 14/05591, zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland, geheven door de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Oost Nederland (Lococensus)

2.3.2.De Verordening strekt ter uitvoering van de Waterschapswet. Artikel 122d, lid 1, van de Waterschapswet bepaalt het belastbare feit voor de zuiveringsheffing en luidt als volgt:
“1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.”
Blijkens artikel 122c, aanhef en letters a, b, c en d, van de Waterschapswet in onderlinge samenhang gelezen wordt in dit verband onder “afvoeren” verstaan het brengen van afvalstoffen, dan wel verontreinigende of schadelijke stoffen, op een bij een gemeente in beheer zijnde voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater (een riolering) of op een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater (een zuiveringstechnisch werk), niet zijnde een riolering.
In artikel 3, lid 1, van de Verordening is het belastbare feit voor de zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland als volgt omschreven:
“1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.”
Volgens artikel 1, letter c, van de Verordening geldt als een zuiveringstechnisch werk een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering. In artikel 1, letter d, van de Verordening is het begrip “afvoeren” omschreven als het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap.
Hoewel het begrip “afvoeren” zoals gebezigd in de Verordening mede omvat het brengen van stoffen op een riolering, beperkt voormeld artikel 3, lid 1, het belastbare feit voor de onderhavige heffing uitdrukkelijk tot het direct of indirect brengen van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap. Dit brengt mee dat stoffen die worden gebracht op een riolering in beheer bij een gemeente en die voordat zij een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap hebben bereikt uit de riolering worden verwijderd, niet op grond van de Verordening in de zuiveringsheffing kunnen worden betrokken. Deze uitleg is in overeenstemming met doel en strekking van de onderhavige heffing. Blijkens artikel 3, lid 1, van de Verordening dient de heffing immers ter bestrijding van kosten van het Waterschap die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater.
2.3.3. Ingeval stoffen worden gebracht op een riolering in beheer bij een gemeente en de riolering het zich daarin bevindende afvalwater direct of indirect leidt naar een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap, moet in de regel ervan worden uitgegaan dat de op de riolering gebrachte stoffen het zuiveringstechnische werk zullen bereiken. Degene die stelt dat door hem op de riolering gebrachte stoffen, of een deel daarvan, het zuiveringstechnische werk niet hebben bereikt, draagt daarom de bewijslast van die stelling. Hij dient aannemelijk te maken dat, en in welke mate, de desbetreffende stoffen niet op het zuiveringstechnische werk zijn gebracht.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 30 september 2014, nr. 13/00912, zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland, geheven door de heffingsambtenaar van het Gemeenschappelijk Belastingkantoor Oost Nederland (Lococensus)

4.7 Belanghebbende heeft bepleit dat de zuiveringsheffing geen grondslag biedt voor heffing bij een calamiteit als de onderhavige, waarbij buiten de wil van belanghebbende om afvalstoffen in het riool en vervolgens (gedeeltelijk) in de RWZI terechtkomen. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Het begrip “brengen” zoals gehanteerd in de definitie van het begrip “afvoeren” impliceert, anders dan belanghebbende blijkbaar meent, niet een op een wilsbesluit van de belastingplichtige gebaseerde handeling. Zulks zou ook niet stroken met de doelstelling van de zuiveringsheffing, te weten het genereren van inkomsten teneinde de kosten die zijn verbonden aan de waterzuivering te bestrijden.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 12 juli 2013, nr. 12-00420, verontreinigingsheffing geheven door Belastingsamenwerking Oost-Brabant (BSOB)

4.4. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (tekst 2007)(hierna: de WVO) is een kwaliteitsbeheerder niet zijnde het Rijk bevoegd ter bestrijding van zijn kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren een heffing in te stellen ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor de kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringstechnisch werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.
4.5. In artikel 3, eerste lid van de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap [H] 2007 (hierna: de Verordening) heeft het Waterschap bepaald dat onder de naam verontreinigingsheffing, ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren, een directe belasting wordt geheven ter zake van het direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor het Waterschap bevoegd is, of een zuiveringstechnisch werk dat bij het Waterschap in beheer is.
4.6. Uit dit artikel volgt, dat indien het IBA kan worden aangemerkt als een (a) “zuiveringtechnisch werk” dat (b) bij het Waterschap in beheer is, niet relevant is of op het oppervlaktewater wordt geloosd.
4.7. Onjuist is dan ook het door de Rechtbank ten overvloede gegeven oordeel dat, nu het doel van de WVO is het beschermen van het oppervlaktewater tegen verontreiniging, en vaststaat dat de onderhavige IBA de daarin gebrachte stoffen in de bodem en niet op het oppervlaktewater loost, op die grond voor heffing geen plaats zou zijn.
4.8. Tussen partijen is niet in geschil dat de IBA op grond van de in artikel 17 WVO gegeven begripsomschrijving als zuiveringtechnisch werk moet worden aangemerkt. Dit gezamenlijk oordeel van partijen is juist. Het Hof zal hierna tot de conclusie komen dat dit werk bij het Waterschap in beheer is, zodat, zoals overwogen, niet relevant is, of (door middel van het IBA) op het oppervlaktewater wordt geloosd. Belanghebbendes klacht, dat heffing niet mogelijk zou zijn, omdat hij niet door middel van de IBA op het oppervlaktewater loost, faalt daarom.
4.9. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het Waterschap [H] (hierna: het Waterschap) het beheer van IBA op grond van een overeenkomst met de gemeente [D], de hiervoor vermelde samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente [D] en het Waterschap, op zich heeft genomen. Onjuist is, aldus de Rechtbank, de opvatting dat het Waterschap de bevoegdheid de onderhavige aanslag op te leggen, aan de Verordening heeft ontleend. Op grond van de samenwerkingsovereenkomst is het Waterschap immers gelijk te stellen met de particuliere bedrijven die het beheer van de IBA vóór 1 januari 2007 en na 1 mei 2009 hebben uitgevoerd, aldus verder de Rechtbank. De Rechtbank concludeert vervolgens dat het Waterschap niet is aan te merken als een kwaliteitsbeheerder in de zin van de WVO.
4.10. De Heffingsambtenaar bestrijdt de juistheid van die conclusie. In dat kader heeft hij aangevoerd dat de wetgever nadrukkelijk de mogelijkheid heeft geboden om de zorgplicht van de gemeente voor de inzameling van afvalwater en de zorgplicht van het waterschap voor de zuivering van afvalwater in het buitengebied in onderling overleg zo doelmatig mogelijk vorm te geven. Indien gemeente en waterschap op basis van dit uitgangspunt afspreken dat het waterschap de IBA beheert, dan valt dit dus onder de reikwijdte van de zorgplicht van artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en zijn kosten verhaalbaar via de verontreinigingsheffing, aldus de Heffingsambtenaar. In dat kader heeft de Heffingsambtenaar in zijn pleitnota geciteerd uit de wetsgeschiedenis van wetsvoorstel 27615 (Wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening) en uit de wetsgeschiedenis van wetsvoorstel 30578 (Wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwater, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken)).
4.11. Aannemelijk is dat de gemeente en het Waterschap aan het door de Heffingsambtenaar geschetste uitgangspunt van de wetgever nader vorm hebben gegeven in de Verordening, in de gemeenschappelijke regeling en in de samenwerkingsovereenkomst. Wat de samenwerkingsovereenkomst betreft verwijst het Hof naar de artikelen 2, 6, 7 en 8 van die overeenkomst.
4.12. In artikel 7 van genoemde overeenkomst is bepaald dat de gemeente een financiële bijdrage aan het Waterschap levert voor de kosten van beheer, onderhoud en vervanging van de IBA-systemen en dat deze bijdrage € 75 per jaar per IBA-systeem bedraagt met ingang van 2005. Niet in geschil is dat die bijdrage niet kostendekkend is. In artikel 8 (Coördinatiekosten en verrekening) is bepaald dat voor de coördinatie van het beheer en onderhoud de gemeente aan het Waterschap geen vergoeding betaalt.
4.13. Uit het vorenstaande leidt het Hof af dat het Waterschap in het geval van belanghebbende is opgetreden als kwaliteitsbeheerder, in de zin van artikel 18, lid 1, van de WVO en dat het Waterschap niet is gelijk te stellen met een particulier bedrijf als door de Rechtbank aangegeven. Dat mogelijkerwijs in contacten met ambtenaren van de gemeente of in contacten met werknemers van het Waterschap een andere indruk is ontstaan bij belanghebbende, maakt dit niet anders. Ook niet dat het Waterschap het onderhoud van de IBA heeft uitbesteed aan een particulier bedrijf of dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, in onder meer het jaar 2007 helemaal geen onderhoud aan de IBA is uitgevoerd, ondanks verschillende klachten.
Hier te raadplegen

BELASTINGPLICHT

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli 2017, nr. 16_3809, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Brabantse Delta, geheven doorBelastingsamenwerking West-Brabant

4.8. Belanghebbende heeft in zijn pleitnota bestreden dat hij aangemerkt kan worden als gebruiker voor de rioolheffing. Zo – gelet op enerzijds de daarvoor aangevoerde gronden en anderzijds artikel 3 van de Verordening zuiveringsheffing inzake de heffingsplicht – dit verweer ook geacht moet worden betrekking te hebben op de aanslagen zuiveringsheffing, faalt het verweer (zie 4.14 hierna).
4.14. Belanghebbende heeft verder gesteld dat hij niet de gebruiker is van de woning. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning volgtijdelijk door buitenlandse werknemers wordt gebruikt. Belanghebbende heeft eerst op de zitting in januari 2017 duidelijk gesteld dat de woning in de onderhavige jaren niet direct aan de buitenlandse werknemers maar aan een buitenlands bedrijf is verhuurd en dat dat bedrijf de woning aan de (buitenlandse) werknemers ter beschikking heeft gesteld. Belanghebbende concludeert op basis daarvan dat hij geen gebruiker is als bedoeld in artikel 3 van de Verordening rioolheffing en dat daarom de aanslagen niet aan hem kunnen worden opgelegd.
De rechtbank heeft belanghebbende na de eerste zitting in de gelegenheid gesteld om voormelde stelling schriftelijk te onderbouwen, maar belanghebbende heeft dat nagelaten. Tijdens de nadere zitting heeft belanghebbende verklaard dat er geen schriftelijke overeenkomsten zijn met het buitenlandse bedrijf. Het bewijsaanbod van belanghebbende tijdens de nadere zitting om op een andere manier zijn stelling aannemelijk te maken, heeft de rechtbank verworpen, nu belanghebbende daartoe eerder ruim de gelegenheid heeft gehad.
De rechtbank is van oordeel dat bij gebrek aan onderbouwing de door belanghebbende aangevoerde stelling niet aannemelijk is geworden.
Hier te raadplegen

Rechtbank Oost-Brabant 30 augustus 2016, nr. 15/2974, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

De aanslag zuiveringsheffing 2014 (hierna: de aanslag) heeft betrekking op het adres [adres] . Op dit adres bevindt zich recreatiepark [bedrijfsnaam 1] . Dit park omvat (onder meer) 55 bungalows en een centrumgebouw, inclusief horeca/hotel en een zwembad.
Met uitzondering van 9 recreatiewoningen in particulier eigendom die door verweerder afzonderlijk voor de zuiveringsheffing zijn aangeslagen, heeft verweerder alle overige recreatiewoningen (46) en het centrumgebouw, inclusief horeca en zwembad, in de aanslag betrokken. Deze aanslag is opgelegd aan eiseres.
Geschil en beoordeling
1. Eiseres voert aan dat het centrumgebouw, inclusief horeca en zwembad, alsmede 7 recreatiewoningen, niet in gebruik zijn bij eiseres, maar bij [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ). Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een huurovereenkomst overgelegd waarin de eigenaar van het recreatiepark, [bedrijfsnaam 1] BV (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) het recreatiepark, met uitzondering van het hoofdgebouw en negen recreatiewoningen, aan eiseres verhuurt. Voorts heeft eiseres een overeenkomst overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat [bedrijfsnaam 1] het horeca/hoofdgebouw/centrum gebouw bestaande uit onder andere restaurant, hotel, zwembad en congreszalen, in 2014 heeft verhuurd aan [persoon 2].
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres haar stelling, dat een deel van het recreatiepark in 2014 niet door haar werd geëxploiteerd, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank acht daarbij van belang dat uitsluitend eiseres in 2014 op het adres [adres] als exploitant van het recreatieterrein bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven. De vennootschap die in 2014 volgens eiseres het hotel, restaurant, zwembad en 7 recreatiewoningen zou hebben geëxploiteerd ( [bedrijfsnaam 2] BV) stond in 2014 bij de Kamer van Koophandel op een ander adres geregistreerd. Voorts is in de door eiseres overgelegde overeenkomst niet laatstgenoemde vennootschap partij, maar [persoon 2] als natuurlijk persoon. De voorovereenkomst is bovendien ongedateerd en bevat slechts uitgangspunten, uit te werken in een nog nader op te stellen overeenkomst. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting aangegeven dat een dergelijke uitgewerkte overeenkomst nooit is opgesteld. Ten slotte worden de 7 recreatiewoningen, die volgens eiseres eveneens in exploitatie zouden zijn overgedragen, in de voorovereenkomst, niet genoemd.
7. Eiseres heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot het centrumgebouw, inclusief horeca en zwembad en de 7 recreatiewoningen in 2014 sprake is geweest van een andere exploitant dan zijzelf. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die onderdelen van het recreatiecentrum dan ook terecht in de aanslag van eiseres betrokken.
Hier te raadplegen

Rechtbank Oost-Brabant 30 augustus 2016, nr. 15/2973, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

8. Op grond van artikel 122h, vijfde lid, van de WSW en artikel 16, tweede lid, van de Verordening dienen de 28 recreatiewoningen in particulier eigendom derhalve in beginsel mede in de aanslag voor het door eiseres geëxploiteerde recreatieterrein te worden betrokken. Voor zo’n situatie vermeldt artikel 3, derde lid aanhef en onder b, van de Verordening de bevoegdheid tot verhaal van de heffing als zodanig. De wijze waarop eiseres praktisch vorm kan geven aan dit verhaal wordt beheerst door niet door de belastingrechter te beoordelen regels van het civiele recht en valt buiten de omvang van het onderhavige geding.
Hier te raadplegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 december 2015, nr. 15_1054, zuiveringsheffing Waterschap Scheldestromen, geheven door de heffingsambtenaar van Sabewa

2.6. Het geschil spitst zich toe op de zogenoemde gebruikersheffingen, te weten de afvalstoffenheffing, dezuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Niet in geschil is dat belanghebbende sinds november 2013 niet meer – dus ook niet in het jaar 2014 – in de woning woonde.
2.7. Als uitgangspunt geldt voor elk van de gebruikersheffingen dat op de heffingsambtenaar de stelplicht en – bij betwisting – de bewijslast rust van de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende belastingplichtige (dan wel heffingsplichtige) is.
2.8. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat belanghebbende nog tot en met 4 april 2014 in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven als bewoner van de woning, hetgeen belanghebbende erkent. Verder heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat de omstandigheid dat belanghebbende niet in de woning woonde niet wegneemt dat belanghebbende – nu hij immers eigenaar was – nog wel de beschikking had over de woning.
2.11.1. De Verordening zuiveringsheffing waterschap Scheldestromen 2014 luidt voor zover van belang als volgt:
“Belastbaar feit en heffingsplicht
Artikel 3
(…)
2. Aan de heffing worden onderworpen:
a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;”
2.11.2. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met hetgeen hij heeft aangevoerd (zie 2.8) onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van gebruik in de zin van artikel 3, lid 2, onderdeel a, van de Verordening zuiveringsheffing waterschap Scheldestromen 2014. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem 11 september 2012, nr. 11-00822, zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland, geheven door de Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR)

2.1. Belanghebbende verzorgt bewaringsdiensten voor leegstaande onroerende zaken. Zij sluit hiertoe overeenkomsten met de eigenaren van de onroerende zaken en met derden die de onroerende zaak gaan bewonen (de oppassers). Een van de onroerende zaken waarvoor belanghebbende bewaringsdiensten verzorgt is a-straat 1 te Q (hierna: het pand).
2.2. Het pand bestaat uit een winkelruimte op de benedenverdieping en een daarboven gelegen opslagruimte. Krachtens een overeenkomst met belanghebbende bewonen in het onderhavige jaar twee oppassers dit pand. Eén van hen bewoont de winkelruimte, de ander de opslagruimte. De oppassers delen sanitaire voorzieningen en een keuken op de begane grond.
4.2. Het pand is een als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte.
4.3. De oppassers bewonen elk een gedeelte van het pand, waarvan zij exclusief het gebruik hebben. Deze delen zijn door belanghebbende bestemd om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven en daartoe ingericht. Uit artikel 1, aanhef en onderdeel e, van de verordening vloeit dan voort dat het pand geen woonruimte in de zin van de Verordening is.
4.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het pand op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel f, van de Verordening een bedrijfsruimte in de daar bedoelde zin is.
4.5. Belanghebbende heeft delen van het als bedrijfsruimte aan te merken pand in gebruik gegeven aan de oppassers. Uit artikel 3, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Verordening vloeit dan voort dat belanghebbende heffingsplichtig is. De aanslag is dus terecht aan belanghebbende opgelegd.
Hier te raadplegen

Rechtbank Groningen 10 mei 2012, nr. 11/1531, zuiveringsheffing Wetterskip Fryslân, geheven door Hefpunt

2.2 Eiser heeft -zakelijk weergegeven - aangevoerd dat (...). Ten aanzien van het adres [adres] [woonplaats] verklaart eiser dat vóór hem een vrouw op dit adres woonde en dat zij vrij plotseling is overleden, waarna eiser daar is gebleven en de huur heeft voortgezet. Verder heeft eiser aangegeven dat het logisch is dat medewerkers van Hefpunt en de gemeente [gemeente] hem niet aantroffen aan de [adres], omdat hij 90-95% van de tijd niet thuis is. Verder heeft eiser naar voren gebracht in een kampeerauto te wonen. Eiser heeft ter zitting verklaard in beroep te zijn gekomen tegen de ambtshalve inschrijving in de GBA door de gemeente [gemeente]. Deze procedure is nog niet afgerond. Eiser stelt dat het bewijs ontbreekt dat hij in de onderhavige belastingjaren op genoemd adres woonde en dat de aanslagen onterecht aan hem zijn opgelegd. Voor zover de rechtbank tot het oordeel mocht komen dat de betreffende aanslagen aan eiser opgelegd mochten worden, heeft eiser verklaard dat de hoogte van de aanslagen (het aantal vervuilingseenheden) niet in geschil is.
3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de [adres] een woonruimte is. Eiser heeft ter zitting desgevraagd erkend gebruiker te zijn van de betreffende woonruimte. Gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Verordening oordeelt de rechtbank dat eiser aan de heffing van zuiveringsheffing onderworpen is en door de hefffingsambtenaar terecht als heffingsplichtig is aangewezen. Nu de hoogte van de aanslag niet in geschil is, zal de rechtbank eisers beroep, voor zover dit is gericht tegen de zuiveringsheffing, ongegrond verklaren.
Hier te raadplegen

Rechtbank Den Haag 19 april 2012, nrs. 11/9885, 11/9887, 11/9888 en 11/9889, verontreinigingsheffing en zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Delfland, geheven door de Regionale Belasting Groep te Delft

9. Omdat er in het pand geen afzonderlijke woonruimte aanwijsbaar is en in het pand een bedrijf wordt uitgeoefend, dient het pand in de onder 7. aangehaalde terminologie als één bedrijfsruimte te worden aangemerkt (vergelijk HR 23 juli 1984, nr. 22 178, V-N 1984, blz. 1973). Het pand heeft verschillende gebruikers - [A], de leden van zijn gezin en eiseres - die als belastingplichtige in de heffing van de verontreinigingsheffing, onderscheidenlijk de zuiveringsheffing kunnen worden betrokken. Verweerder heeft ter zake van afvoeren van stoffen uit het pand aan [A] de onder 3. genoemde aanslagen opgelegd. Daarmee heeft verweerder zijn bevoegdheid tot het heffen van verontreinigingsheffing en zuiveringheffing ter zake van het afvoeren van stoffen uit het pand voor de jaren 2008 tot en met 2011 uitgeput. Het stond verweerder niet vrij om, na de oplegging en het onherroepelijk worden van de ten name van [A] gestelde aanslagen, een andere gebruiker van het pand - eiseres - voor de jaren 2008 tot en met 2011 ter zake van hetzelfde belastbare feit - de afvoer van stoffen uit het pand - in de heffing van de verontreinigingsheffing en de zuiveringsheffing te betrekken.
Hier te raadplegen

INVULLEN AANGIFTE

Rechtbank Midden-Nederland 4 april 2017, nr. 16/3253, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Utrecht, geheven door de heffingsambtenaar van BghU

9.4. Dat verweerder stelt dat indeling in klasse 8 op basis van de door eiseres zelf ingevulde aangifte voor 2012 heeft plaatsgevonden, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. In deze aangifte is ingevuld dat er sprake is van ouderenzorg. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd op dit punt, sluiten de begrippen ouderenzorg en verpleeghuiszorg elkaar niet uit. Voorts heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat ieder belastingjaar op zich staat en dat de aangifte voor 2012 geen doorwerking heeft op navolgende jaren.
Hier te raadplegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 februari 2017, nr. 16_1845, zuiveringsheffing Waterschap Brabantse Delta, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant

2.12. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat het aangifteprogramma, na de keuze voor de bedrijfscategorie ‘groentewasserij’, de mogelijkheid biedt om aan te geven dat er een bezinkput/zeefvoorziening in het bedrijf aanwezig is. Indien er een bezinkput/zeefvoorziening in de groentewasserij aanwezig is, wordt de afvalwatercoëfficiënt automatisch verminderd van 0,015 (klasse 7) naar 0,06 (klasse 5). Volgens de verklaring van de heffingsambtenaar kan in het aangifteprogramma na de keuze voor de indeling van een bedrijf in de zogenaamde ‘restcategorie’ (klasse 8) niet worden aangegeven dat er een bezinkput/zeefvoorziening in het bedrijf aanwezig is, waardoor in zo’n geval het bedrijf niet in een lagere klasse wordt ingedeeld. Nu de Verordening en het Besluit evenmin een mogelijkheid bieden om een bedrijf in een lagere klasse in te delen in verband met de aanwezigheid van een bezinkput/zeefvoorziening, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de groothandel in een lagere klasse dan klasse 8 in te delen.
Hier te raadplegen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, nrs. 15/00673, 15/00675 en 16/00676, zuiveringsheffing Waterschap Vallei & Eem, geheven door de heffingsambtenaar van Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) te Zwolle

4.1 De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat in beginsel op de heffingsambtenaar de last rust om te bewijzen dat de door hem opgelegde aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld en dat door hem terecht vergrijpboetes zijn opgelegd.
4.2 In dit verband heeft de heffingsambtenaar aangevoerd dat op de voet van de artikelen 25, derde lid, en 27e, eerste lid, AWR in samenhang gelezen met artikel 123 van de Waterschapswet de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende in de onderhavige jaren de vereiste aangiften niet zou hebben gedaan. Daarbij wordt belanghebbende onder andere verweten dat niet is vermeld dat zij een vergister in gebruik heeft en dat de activiteiten van belanghebbende onvolledig zijn omschreven, aangezien deze mede de opwekking van biogas uit onder andere visafval zou omvatten.
4.3 Belanghebbende heeft daartegen ingebracht dat de Inspecteur dit standpunt pas eerst in hoger beroep heeft ingenomen en zich op het standpunt gesteld dat dit tardief moet worden verklaard. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Het staat de heffingsambtenaar in beginsel vrij om in hoger beroep alle standpunten in te nemen die hij dienstig acht. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. Hiervan is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Daarnaast dient het Hof ambtshalve te onderzoeken of belanghebbende de vereiste aangifte heeft gedaan en zo nodig de bewijslast om te keren en te verzwaren.
4.4 Met betrekking tot de vermelding van de vergister in de aangifte merkt het Hof op dat de bouw van een vergister is gemeld in de aangifte van 2006 en dat in de als bijlage bij de aangiften 2008 en 2009 opgenomen waterbalans een werkende vergister is opgenomen in de schematische weergave. Daarmee heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof voldoende duidelijk in de aangifte opgenomen dat in het productieproces een vergister aanwezig is en wordt gebruikt. Dat in de aangifte 2007 niet zou zijn opgenomen dat de vergister in dat jaar in gebruik is genomen en dat een aantal in 2009 aangebrachte wijzigingen aan de installatie niet in de aangifte 2009 is vermeld doet daaraan, wat hier verder van zij, onvoldoende af. Met het bovenstaande had het de heffingsambtenaar na een normale, zorgvuldige kennisneming van de aangifte ook duidelijk moeten zijn dat de activiteiten van belanghebbende mede de opwekking van biogas omvatte. Daarnaast hebben de in 2009 aangebrachte wijzigingen aan de vergister blijkens het Verslag geen betrekking op de massabalans van afvalstoffen en/of afvalwater danwel de gebezigde werkwijze binnen de inrichting, zodat het Hof niet aannemelijk acht dat de wijzigingen invloed hadden op de samenstelling van het afvalwater. Hetgeen belanghebbende met betrekking tot het doen van de vereiste aangifte verder door de heffingsambtenaar is tegengeworpen acht het Hof, behoudens hetgeen hierna wordt overwogen, van te weinig gewicht om tot de conclusie te komen dat de bewijslast op de door de heffingsambtenaar aangevoerde gronden dient te worden omgekeerd en verzwaard.
(...)
4.12 Met betrekking tot de jaren 2009 en 2010 komt het Hof tot een ander oordeel. Het Hof acht het aannemelijk dat in die jaren, in de periode van medio 2009 tot 12 maart 2010, door belanghebbende digestaat is afgevoerd op het riool met het afvalwater. Deze lozingen zijn niet opgenomen in de aangiften. Het Hof zal derhalve de vraag dienen te beantwoorden of belanghebbende in deze jaren de vereiste aangifte heeft gedaan.
4.13 De heffingsambtenaar heeft de aanslagen 2009 en 2010 gebaseerd op vervuilingswaarden die zijn bepaald door de hoeveelheid digestaat in de periode 9 maart 2010 tot en met 31 december 2010 (die door de afvoer per as in die periode bekend is) af te zetten tegen de geproduceerde hoeveelheid biogas in diezelfde periode. Vervolgens is aan de hand van de in 2009 en 2010 geproduceerde hoeveelheden biogas de in die periode bij die productie ontstane hoeveelheid digestaat bepaald. De vervuilingswaarde van dat digestaat (minus het digestaat dat per as is afgevoerd) is ten grondslag gelegd aan de aanslagen.
4.14 Gelet op het antwoord van StAB hieromtrent acht het Hof het aannemelijk dat in het rapport van [J] van 30 maart 2012, dat een onderbouwing geeft voor de opgelegde aanslagen, op correcte wijze een relatie is afgeleid tussen de zuurstofvraag van het digestaat en de hoeveelheid geproduceerd biogas. Hetgeen door belanghebbende hiertegen is ingebracht brengt het Hof niet tot een ander oordeel.
4.15 Aan de hand van bovenstaande onderbouwing, welke ervan uitgaat dat in 2009 in het geheel geen digestaat is gerecycled, zijn 22.267,09 v.e.’s tegen een tarief van € 43,08 niet in de aangifte opgenomen. Het Hof acht het, ervan uitgaande dat het tot medio 2009 niet onmogelijk was het digestaat te recyclen, aannemelijk dat vanaf medio 2009 de helft, te weten ruim 11.000 v.e.’s (tegen een tarief van € 43,08 per v.e.) op het riool zijn afgevoerd. Het Hof acht het derhalve aannemelijk dat voor een bedrag van € 473.880 (€ 43,08 x 11.000 v.e.’s) te weinig v.e.’s in de aangifte zijn opgenomen. Gelet op de aangifte, waarin een bedrag van € 591,92 (13,74 v.e.’s x € 43,08) is aangegeven, is dit bedrag zowel relatief als absoluut aanzienlijk. De conclusie moet dan ook zijn dat belanghebbende voor het jaar 2009 de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.
4.16 Omkering en verzwaring van de bewijslast brengt mee dat de aanslag 2009 in stand dient te blijven, tenzij is gebleken dat deze onjuist is. Een en ander ontslaat de heffingsambtenaar niet van de plicht bij het opleggen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting, in de zin dat deze niet naar willekeur mag zijn vastgesteld.
4.17 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet doen blijken dat de aanslag onjuist is. Het oordeel dat vanaf medio 2009 digestaat niet langer in de vergister kon worden gerecycled, brengt immers niet noodzakelijkerwijs mee dat het digestaat voor die datum wél in zijn geheel in de vergister gerecycled werd. Het Hof is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag, die is gebaseerd op de aanname dat al het in 2009 geproduceerde digestaat is afgevoerd via het riool, is uitgegaan van een redelijke schatting. De bevindingen in het Verslag, inhoudende dat bij de berekening van de hoeveelheid asrest in de vergister bij volledige recycling van het digestaat eerder sprake is van een onderschatting dan een overschatting (zodat het waarschijnlijker is dat het vergistingsproces eerder dan medio 2009 zou zijn bij volledige recycling van het digestaat), wijzen in de richting van die aanname. Ook de berekening van [J] komt uit op stagnatie van het vergistingsproces bij volledige recycling van het digestaat ver vóór medio 2009. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de schatting van de heffingsambtenaar niet willekeurig is.
4.18 Met betrekking tot de aanslag 2010 heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat 4.095,82 v.e.’s (tegen een tarief van € 45,25 per v.e. maakt € 185.335,86) ten onrechte niet in de aangifte 2010 zijn opgenomen. Gelet op de aangifte, waarin 283,91 v.e.’s (€ 12.846,93) zijn opgenomen, is ook voor dit jaar de vereiste aangifte niet gedaan.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 27 maart 1996, nr. 31.209, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1.1. Belanghebbende is gebruikster van het perceel a-straat 1 te Z. Op dit perceel bevindt zich de woning van belanghebbende en haar echtgenoot. Het perceel wordt tevens gebruikt voor de exploitatie van een jachthaven. De watervoorziening van de jachthaven vindt plaats via de watermeter van de woning. Er is geen aparte meter voor het waterverbruik ten behoeve van de jachthaven.
3.1.2. Belanghebbende heeft het haar uitgereikte aangiftebiljet voor de zuiveringsheffing oningevuld teruggezonden. In een begeleidende brief heeft zij vermeld van mening te zijn dat ter zake van de jachthaven aan haar geen aanslag in de zuiveringsheffing kon worden opgelegd omdat in de privé-sfeer reeds een aanslag was opgelegd voor de verontreiniging vanuit de woning. Het vervolgens aan haar toegezonden vragenbiljet heeft zij ingevuld en teruggezonden onder herhaling van haar standpunt.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de in 3.1.2 vermelde omstandigheden niet kan worden gesproken van een situatie waarop het bepaalde in het derde lid van artikel 9 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen ziet. Dit oordeel wordt in cassatie tevergeefs bestreden. Indien, zoals hier, een belastingplichtige zijn aangiftebiljet oningevuld terugzendt maar daarbij uitdrukkelijk, en gemotiveerd aangeeft dat en waarom hij van mening is niet belastingplichtig te zijn, kan hem niet worden verweten dat hij nalatig is gebleven in het doen van aangifte, ook niet indien zijn standpunt door de rechter onjuist wordt bevonden.
Hier te raadplegen

METEN EN BEMONSTEREN

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, nr. 15/01467, zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe, geheven door de heffingsambtenaar van GBLT te Zwolle

Bevoegdheid
4.1 Artikel 122g Waterschapswet bepaalt dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Bij deze maatregel kan worden bepaald dat ter uitvoering van die maatregel nadere regels worden gesteld bij verordening van het algemeen bestuur.
4.2 Blijkens artikel 6.12, lid 1, Waterschapsbesluit geschiedt voornoemde meting, bemonstering en analyse, door de heffingsplichtige gedurende elk etmaal van het kalenderjaar overeenkomstig de door het algemeen bestuur bij belastingverordening gegeven nadere regels.
4.3. In artikel 6.12, lid 2, Waterschapsbesluit is bepaald dat de heffingsambtenaar op aanvraag van de gebruiker, onder nader te stellen voorwaarden, toestaat dat voor het aantal etmalen dat meting, bemonstering en analyse geschieden, wordt afgeweken van het eerste lid indien door de gebruiker aannemelijk wordt gemaakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Ingevolge artikel 6.12, lid 3, Waterschapsbesluit wordt dit besluit genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4.4. In overeenstemming met het bepaalde in artikel 6.12 Waterschapsbesluit luidt artikel 9, lid 1, Verordening zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2014 als volgt:
“Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 8, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking.”
4.5. Ingevolge artikel 123, lid 2, Waterschapswet geschieden de heffing en invordering van waterschapsbelastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen.
4.6. Blijkens het bepaalde in artikel 113 Waterschapswet wordt de zuiveringsheffing, zoals geregeld in artikel 122d Waterschapswet, gerekend tot de waterschapsbelastingen. Gelet op het bepaalde in artikel 123, lid 2, Waterschapswet is de AWR – waaronder het bepaalde in artikel 26 AWR – mitsdien van toepassing op de heffing van zuiveringsheffing.
4.7. Ingevolge artikel 26 AWR kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld indien het betreft een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.
4.8. Het besluit van de heffingsambtenaar op grond artikel 6.12, lid 3, Waterschapsbesluit (de meetbeschikking) kan als een ingevolge de belastingwet genomen besluit worden aangemerkt. Nu blijkens diezelfde bepaling dit besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking, kan daartegen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter (in belastingzaken). Het Hof is bevoegd om in hoger beroep over het onderhavige geschil te oordelen.
Processueel belang bij beroep
4.9. De onderwerpelijke meetbeschikking is afgegeven voor de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 december 2014 (zie 2.13). Ten tijde van het instellen van beroep was deze periode reeds verstreken, zodat het processuele belang van het beroep daarmee is komen te ontvallen. Dit wordt niet anders als belanghebbende een buiten de onderhavige meetbeschikking liggend belang heeft bij de beantwoording van de door haar aangevoerde twistpunten. Voor zover dit belang zich manifesteert bij meetbeschikkingen voor andere jaren, kan belanghebbende desgewenst tegen die beschikkingen opkomen (vgl. HR 23 maart 2012, nr. 11/01321, ECLI:NL:HR:2012:BV0655). De Rechtbank had het beroep derhalve niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Hier te raadplegen

Rechtbank Den Bosch 30 januari 2012, nr. 11-1122, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

Volgens eiseres moet de opgelegde aanslag in ieder geval verminderd worden met een bedrag van € 8.100 zijnde het bedrag gerelateerd aan de vervuilingseenheden die ten aanzien van 3 en 6 december 2010 door verweerder in de zuiveringsheffing zijn betrokken. Eiseres heeft gesteld dat verweerder op deze dagen in strijd met de tussen eiseres en het Waterschap gesloten overeenkomst geen controlemonster van het afvalwater heeft genomen en dat deze dagen om die reden niet in de belastingheffing dienen te worden betrokken.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet heeft gesteld en derhalve evenmin op objectiveerbare wijze heeft onderbouwd dat het aantal vervuilingseenheden voor 3 en 6 december 2010 te hoog is vastgesteld. Voorts stelt de rechtbank vast dat de overeenkomst tussen het Waterschap en eiseres niet afdoet aan de bevoegdheid van de heffingambtenaar om op basis van een beredeneerde schatting tot vaststelling van het aantal vervuilingseenheden over te gaan, aangezien het gelet op de Verordening primair tot de verantwoordelijkheid van eiseres hoort om de meting, bemonstering en analyse uit te voeren. Ook deze beroepsgrond faalt daarom.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 21 maart 2002, nr. 00/02363, zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Eem

6.2. Blijkens artikel 6 van de Verordening, voor zover hier van belang, geldt met betrekking tot de lozing van zuurstofbindende stoffen als maatstaf voor de heffing de gemiddelde belasting met die stoffen per etmaal van een oppervlaktewater. Voor andere stoffen geldt blijkens dat artikel als maatstaf de hoeveelheid van die stoffen welke in het heffingsjaar in een oppervlaktewater wordt gebracht. Beide worden in een aantal v.e. uitgedrukt.
De berekening van het aantal v.e. van zowel zuurstofbindende stoffen als andere stoffen geschiedt, aldus artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening, met behulp van door dagelijkse meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. Het Waterschap kan op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens die in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, bij beschikking (hierna: de meetbeschikking) toestaan dat niet dagelijks maar in een beperkt aantal etmalen gemeten, bemonsterd en geanalyseerd wordt (art. 8, derde lid, van de Verordening). Belanghebbende heeft naar aanleiding van een daartoe gedane aanvraag een meetbeschikking van het Waterschap ontvangen.
6.5. De aan belanghebbende afgegeven meetbeschikking, waarvan partijen de rechtsgeldigheid overigens niet bestrijden, schrijft de wijze voor waarop de vervuilingswaarde over 1998 dient te worden bepaald. De berekening van de aanslag zuiveringsheffing behoort derhalve op basis van die meetbeschikking plaats te vinden.
6.6. Het aantal v.e. van zuurstofbindende stoffen dient volgens de meetbeschikking te worden vastgesteld op het gemiddelde van de etmaalvervuilingswaarden, zoals die blijken uit het gedurende de weken die op 20 april 1998 en 9 november 1998 aanvingen, meten, bemonsteren en analyseren van het bedrijfsafvalwater van belanghebbende. De beschikking schrijft met betrekking tot het aantal v.e. van andere dan zuurstofbindende stoffen voor dat dit dient te worden berekend door de gemiddelde concentraties van As, Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb en Zn, zoals die volgen uit het eerste in genoemde meetweken genomen monster, te vermenigvuldigen met het jaarafvoer-volume. Belanghebbende heeft R BV gevraagd bovengenoemde metingen, bemonsteringen en analyses uit te voeren. De resultaten van die onderzoekingen heeft het ingenieursbureau in de twee rapporten weergegeven. Partijen bestrijden de juistheid van die onderzoekresultaten niet. Het feit dat in verband met een calamiteit het onderzoek niet geheel is uitgevoerd op de in de meetbeschikking aangegeven dagen leidt voor hen niet tot een ander standpunt. Het Hof heeft geen reden partijen op dit punt niet te volgen.
6.7. Uit 3.7 blijkt op welke wijze de aanslag is berekend. Het Hof leidt daaruit af dat het Waterschap bij de vaststelling van de aanslag is uitgegaan van gegevens welke verkregen zijn met het gedurende twee weken meten, bemonsteren en analyseren van belanghebbendes afvalwater.
Tevens volgt uit de berekening van het Waterschap dat de wijze waarop het aantal v.e. voor zuurstofbindende en andere stoffen is bepaald, op de in de meetbeschikking voorschreven wijze is geschied en dat de aanslag ook overigens in overeenstemming met de Verordening is. Mitsdien is het Hof van oordeel dat het gelijk op dit punt aan verweerder is.
6.8. Belanghebbende schrijft in haar beroepschrift dat de aanslag dient te worden gebaseerd op hetgeen zij werkelijk op het riool heeft geloosd en niet op een 'theoretisch jaarwaterverbruik'. Zij beroept zich daarbij onder andere op de onder 3.6 geciteerde passage in de toelichting bij het aangifteformulier.
6.9. Het Hof kan belanghebbende in deze niet volgen. Op 9 januari 1998 heeft belanghebbende het Waterschap verzocht om voor de berekening van de vervuilingswaarde te mogen volstaan 'met gegevens, die met behulp van meting en bemonstering in 2 x 7 etmalen zijn verkregen'. Het Waterschap heeft belanghebbendes verzoek bij de onder 3.3 vermelde meetbeschikking ingewilligd, zodat de aanslag, zoals volgt uit rechtsoverweging 6.6, op dergelijke gegevens dient te worden gebaseerd. Eén van de factoren die volgens de meetbeschikking de hoogte van de aanslag bepaalt, betreft het jaarafvoervolume, zijnde de hoeveelheid afvalwater die belanghebbende in 1998 geloosd heeft. Uit de beschikking vloeit derhalve naar het oordeel van het Hof voort dat ook het aantal kubieke meters afvalwater dat belanghebbende loost, dient te worden afgeleid uit gegevens die in de eerdergenoemde periode van 14 etmalen zijn verkregen.
Daar komt bij dat ook belanghebbende bij de berekening van het aantal v.e. niet uitgaat van hetgeen zij werkelijk aan afvalwater op het riool heeft geloosd. Zij becijfert de omvang van haar afvalwater door het ingenomen water te verminderen met hetgeen zij ten behoeve van haar produktie verbruikt heeft. Aldus veronachtzaamt belanghebbende in ieder geval de v.e. van stoffen die met het op haar bedrijfsterrein gevallen hemelwater via haar riolering afgevoerd worden.
Het Hof verstaat belanghebbendes beroep op de toelichting bij het aangifteformulier aldus dat belanghebbende stelt dat zij aan die passage het vertrouwen kon ontlenen dat de aanslag op de ingenomen hoeveelheid water diende te worden gebaseerd.
Het Hof is van oordeel dat dit beroep niet kan slagen reeds omdat belanghebbende niet gesteld of aannemelijk heeft gemaakt dat zij afgaande op de voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten waardoor zij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt (Hoge Raad 9 maart 1988, rolno. 24 199, BNB 1988/148 *). Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de toelichting waarop belanghebbende zich beroept eerst op 31 maart 1999 als bijlage bij het aangifteformulier voor de zuiveringsheffing over het jaar 1998 aan haar is toegezonden. Het is derhalve ook om die reden onaannemelijk dat belanghebbende afgaande op de toelichting schade in vorenbedoelde zin heeft geleden.
Het Hof is tevens van oordeel dat belanghebbende het aantal v.e. van zuurstof-bindende stoffen ten onrechte berekend heeft door de afvalwatercoëfficiënt, zoals die uit het onderzoek van R BV blijkt, zijnde 0,036, te vermenigvuldigen met het door haar berekende aantal kubieke meters geloosd afvalwater. Zoals R BV expliciet in haar rapport schrijft, heeft zij de afvalwatercoëfficiënt berekend 'op basis van de ingenomen hoeveelheid water'. Indien genoemde afvalwatercoëfficiënt betrokken wordt op het geloosde afvalwater ontstaat derhalve in beginsel een onjuiste uitkomst.
6.10. Uit het voorgaande volgt dat het Waterschap de onderhavige aanslag terecht op 1.604,06 v.e. heeft gebaseerd.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 8 juli 1997, nr. 31.940, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is als gebruikster van een bedrijfsruimte onderworpen aan de zuiveringsheffing van de provincie Utrecht. Op het ingevolge artikel 13, lid 3, van de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht 1986 gedane verzoek van belanghebbende hebben GS beslist dat zij wat betreft het onderhavige heffingsjaar, 1988, voor de berekening van de vervuilingswaarde mocht volstaan met het meten en bemonsteren van het afvalwater gedurende één week per elke zeventien weken. Hieraan heeft belanghebbende voldaan. In 1988 is op 236 dagen in het bedrijf van belanghebbende geproduceerd. Buiten die dagen vond geen meting of bemonstering van afvalwater plaats. In haar voor het jaar 1988 gedane aangifte heeft belanghebbende uitgaande van een gemiddelde vervuilingswaarde van 2696,5 vervuilingseenheden per dag waarop in haar bedrijf werd geproduceerd (hierna: productiedagen), het aantal vervuilingseenheden (hierna: v.e.) berekend op ((236:365) x 2696,5 =) 1743,5, welke vervuilingswaarde zij voor het Hof nader heeft berekend op ((236:366) x 2696,5 =) 1738,7. Bij het opleggen van de aanslag zijn GS ook uitgegaan van 2696,5 v.e. maar hebben zij in afwijking van de aangifte het aantal productiedagen gesteld op (52 weken van 5 werkdagen =) 260.
3.2. Het geschil voor het Hof betrof de vraag - de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe - of op geen van de dagen waarop in het bedrijf van belanghebbende niet werd geproduceerd, verontreinigende afvalstoffen op het oppervlaktewater zijn geloosd.
3.3. Het Hof heeft die vraag, die feitelijk van aard is, bevestigend beantwoord. Van die beantwoording behoefde het Hof zich niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat niet door meting en bemonstering is vastgesteld dat op de in 3.2 bedoelde dagen geen lozing van verontreinigende afvalstoffen heeft plaatsgevonden. Immers, noch artikel 13, lid 3, van de Verordening noch enige andere bepaling verhindert dat dit gegeven ook langs andere weg dan meting en bemonstering kan komen vast te staan. Voorzover de middelen uitgaan van een andere opvatting, falen zij derhalve. Met name faalt ook de in het eerste middel geformuleerde rechtsklacht dat het Hof ten onrechte geen volstrekt beslissende betekenis heeft toegekend aan de meetsystematiek als vastgelegd in de door GS op verzoek gegeven beschikking van 29 maart 1988 met bijbehorend voorschrift, nu niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat bij de gevolgde berekeningswijze mag worden uitgegaan van de in het daar aangehaalde voorschrift opgenomen fictie, eraan in de weg zou staan in voorkomende gevallen rekening te houden met later gebleken afwijkingen in de feitelijke situatie.
3.4. De middelen falen ook voor het overige. Het oordeel van het Hof dat de in 3.2 bedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Bij dit oordeel is het Hof niet uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast, zulks in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat in 1988 op niet meer dan 236 dagen in het bedrijf van belanghebbende is geproduceerd alsmede dat GS, die immers bij het opleggen van de aanslag zijn uitgegaan van 260 productiedagen, kennelijk in beginsel als juist hebben aanvaard de stelling van belanghebbende dat op dagen dat niet wordt geproduceerd ook geen lozing van verontreinigende afvalstoffen plaatsvindt.
Hier te raadplegen

KLASSE-INDELING

Rechtbank Midden-Nederland 4 april 2017, nr. 16/3253, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Utrecht, geheven door de heffingsambtenaar van BghU

8. De Waterschapswet en de daarop gebaseerde regelgeving geven geen omschrijving van het begrip verpleeghuis. Naar het oordeel van de rechtbank is de aard van de verzorging die wordt geboden beslissend voor de vraag of de instelling kan worden aangeduid als een verpleeghuis. De Wet langdurige zorg (Wlz) regelt de aanspraak op begeleiding, zorg en verpleging, maar geeft evenmin een omschrijving van het begrip verpleeghuis. Op grond van die wet geeft het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) in individuele gevallen aan in hoeverre iemand recht heeft op begeleiding, zorg en verpleging. Dit gebeurt met behulp van zogenaamde zorgprofielen. Vervolgens kan betrokkene worden geplaatst in een daartoe geschikte zorginstelling. De rechtbank volgt eiseres in haar opvatting dat voor de beoordeling of die zorginstelling kan worden aangeduid als een verpleeghuis, het best kan worden aangesloten bij de zorgprofielen van de degenen die in de instelling zijn opgenomen.
9. In de instelling zijn ouderen opgenomen met zorgprofiel 5 tot en met 8 in de sector verzorging en verpleging. Dit is door verweerder niet bestreden. In de omschrijving van deze zorgprofielen, te vinden in bijlage A bij artikel 2.1 van de Regeling langdurige zorg, is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:
9.1. Profiel 5: Beschermd wonen met intensieve dementiezorg “De cliënten hebben vanwege ernstige dementiële problematiek behoefte aan intensieve begeleiding en intensieve verzorging. De cliënten zijn (bijna) geheel zorgafhankelijk. (…) Als gevolg van de kwetsbare gezondheid is verpleegkundige aandacht noodzakelijk (o.a. voorkomen van decubitus en infecties).”
Profiel 6: Beschermd wonen met intensieve verzorging en verpleging “De cliënten hebben vanwege ernstige somatische beperkingen op veel momenten van de dag behoefte aan begeleiding, intensieve verzorging en verpleging, in een beschermende woonomgeving. (…) De cliënt heeft continu behoefte aan verpleegkundige aandacht (o.a. wondverzorging, pijnbestrijding).”
Profiel 7: Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op begeleiding “De cliënten hebben op grond van een chronische ziekte specifieke begeleiding nodig in combinatie met zeer intensieve verzorging en verpleging in een beschermende woonomgeving. (…) De cliënten hebben ten aanzien van mobiliteit binnenshuis veelal hulp nodig. Ten aanzien van mobiliteit buitenshuis is overname van zorg nodig (er is altijd een begeleider nodig). Verpleging is nodig om de chronische ziekte in de gaten te houden en eventueel passende maatregelen te nemen.”
Profiel 8: Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met de nadruk op verzorging/verpleging. “De cliënten hebben op grond van een ernstige somatische aandoening/ziekte behoefte aan specifieke en zeer intensieve verzorging en verpleging in combinatie met begeleiding in een beschermende woonomgeving. (…) De cliënten hebben ten gevolge van de specifieke aandoeningen/ziektes continu behoefte aan veel (gespecialiseerde) verpleegkundige aandacht (voorkomen van decubitus, infecties, longontsteking).”
9.2. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit worden afgeleid dat in de instelling, naast begeleiding en (intensieve) zorg tevens in niet onbetekenende mate verpleging wordt geboden. De instelling kan daarom worden aangeduid als een verpleeghuis. Dit sluit naar het oordeel van de rechtbank tevens aan bij de huidige definitie uit Van Dale, waarin ‘verpleeghuis’ als volgt, anders dan door verweerder is aangevoerd, wordt omschreven: ‘inrichting voor langdurige verpleging van met name ouderen.’.
9.3. Dat verweerder stelt dat de instelling gericht is op het creëren van een huiselijke omgeving waarin de woonfunctie voorop staat, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De huiselijke omgeving sluit het feit dat de bewoners van deze huiselijke omgeving verpleging nodig hebben, niet uit.
10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraken op bezwaar.
Hier te raadplegen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2017, nr. 16/00527, zuiveringsheffing Waterschap Zuiderzeeland, geheven door de heffingsambtenaar van gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn

4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit kan de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water in afwijking van de artikelen 2 en 3 van het Besluit worden bepaald aan de hand van monsterneming en analyse overeenkomstig het derde lid (hierna: monsterneming), onderscheidenlijk aan de hand van meting, bemonstering en analyse overeenkomstig het vierde lid (hierna: meting).
4.2. In de nota van toelichting op het Besluit wordt het volgende opgemerkt over de bepalings- en onderzoekswijzen van de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water (Staatsblad 2008, 609, blz. 7 en 9):
“Bepaling vervuilingswaarde
(…) De toepassing van de artikelen 22 van de Wvo en artikel 122k van de Waterschapswet moet leiden tot een zo goed mogelijke benadering van de werkelijke verontreiniging zonder dat de heffingplichtige onnodige kosten voor meting, bemonstering en analyse hoeft te maken (Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26367-3.html), blz. 9 en 10). Tegen die achtergrond is in dit besluit een drietal bepalingswijzen voor de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water opgenomen. Het gaat om respectievelijk een forfaitaire bepalingswijze, een bepaling op basis van (beperkte) monsterneming en analyse en een bepaling op basis van (beperkte) meting, bemonstering en analyse. (…) Artikel 4, tweede en zevende lid (…) De bij die vervuilingswaarde behorende afvalwatercoëfficiënt vermenigvuldigd met de geschatte hoeveelheid over het heffingsjaar in te nemen water resulteert in de geschatte vervuilingswaarde over het heffingsjaar. Indien de geschatte vervuilingswaarde lager is dan 100 vervuilingseenheden, moeten monsterneming en analyse op de voet van het derde lid van het onderhavige artikel plaatsvinden. Indien de geschatte vervuilingswaarde 100 vervuilingseenheden of meer bedraagt, moeten meting, bemonstering en analyse op de voet van het vierde lid van dit artikel plaatsvinden. (…)”
4.3. De heffingsambtenaar is van mening dat hij de aanslag juist heeft vastgesteld, waarbij hij verwijst naar het in 2006 uitgevoerde onderzoek. Nu belanghebbende eerst in 2012 de resultaten van het onderzoek heeft betwist, rust volgens de heffingsambtenaar de bewijslast voor de indeling in een lagere waterklasse op belanghebbende. Het Waterschap heeft in 2006 op basis van de onjuiste veronderstelling dat het aantal vervuilingseenheden meer dan 100 bedroeg, tot een meting besloten. Vanwege het formaat van de bemetingsput van belanghebbende was het niet mogelijk de bemonstering volumeproportioneel uit te voeren. Daardoor heeft het waterschap zich gedwongen gevoeld tijdproportioneel te bemonsteren. Vanwege het min of meer constante debiet van het afvalwater van belanghebbende vindt de heffingsambtenaar een tijdproportionele bemonstering ook voldoende representatief.
4.4. Belanghebbende brengt hier tegen in dat artikel 4, derde lid, van het Besluit verplicht tot een monsterneming gedurende tien representatieve etmalen. Daarvan is geen sprake. Het onderzoek ziet niet op tien voor het heffingsjaar representatieve etmalen en voor zover al meting op grond van artikel 4, vierde lid van het Besluit is toegestaan is belanghebbende van mening, dat een onjuiste meting heeft plaatsgevonden. Het Waterschap heeft de hoeveelheid afvalwater niet bemeten en het heeft evenmin een volumeproportionele bemonstering toegepast.
4.5. Een aanslag in de zuiveringsheffing wordt voor ieder jaar vastgesteld op grond van de voor dat jaar geldende feiten en omstandigheden. Het staat een heffingplichtige vrij ieder jaar een vastgestelde aanslag in de zuiveringsheffing te bestrijden met alle middelen die hem of haar daarvoor dienstig voorkomen. Niets staat er derhalve aan in de weg dat belanghebbende ook met betrekking tot de voor het onderhavige jaar opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing de juistheid van het in 2006 uitgevoerde onderzoek gemotiveerd aan de orde stelt.
4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de geschatte vervuilingswaarde als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Besluit 95,7 vervuilingseenheden heeft bedragen. Bij een geschatte vervuilingswaarde tussen de 75 en 100 vervuilingseenheden wordt voor een onderzoek als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit over tien voor het heffingsjaar representatieve etmalen afzonderlijk een etmaalverzamelmonster van het geloosde of afgevoerde afvalwater samengesteld dat bestaat uit ten minste acht deelmonsters die op verschillende voor het etmaal representatieve tijdstippen zijn genomen (artikel 4, derde lid, aanhef, onderdeel a en onderdeel b, onder ten vierde, van het Besluit).
4.7. Uit de tekst van artikel 4, van het Besluit, noch uit de toelichting daarop volgt dat bij een geschatte vervuilingswaarde die lager is dan 100 vervuilingseenheden, een andere onderzoekswijze van het aantal vervuilingseenheden dan monsterneming mag worden gebruikt. Zowel het gebruik van de term “onderscheidenlijk” in artikel 4, eerste lid van het Besluit als de term “moeten” in de onder 4.3 aangehaalde toelichting op artikel 4, tweede en zevende lid geven steun aan dit oordeel. Belanghebbende stelt dus terecht dat de heffingsambtenaar een monsterneming had moeten gebruiken en niet een meting. Dat de heffingsambtenaar abusievelijk een meting in plaats van een monsterneming heeft toegepast, moet voor zijn rekening blijven.
4.8. Voor zover de heffingsambtenaar bepleit dat de resultaten van de meting in 2006 overeenkomen met een monsterneming dan wel dat die meting nauwkeuriger is dan een monsterneming, overweegt het Hof het volgende. De heffingsambtenaar heeft gemeten op zeven dagen, waaronder een zaterdag en zondag, op welke dagen bij belanghebbende niet wordt gewerkt. Dit valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet gelijk te stellen met een monsterneming op tien representatieve dagen. Het derde lid schrijft voor dat acht deelmonsters op voor het etmaal representatieve tijdstippen worden genomen. Daarvan is bij de in 2006 uitgevoerde deelmetingen geen sprake, omdat deze onafhankelijk van de bedrijfsactiviteiten zijn ingesteld op elke zes minuten. Hierdoor vinden ook deelmetingen plaats op niet representatieve momenten, zoals momenten dat geen of nagenoeg geen afvalwater wordt geloosd. Het verweer van de heffingsambtenaar dat ook tijdens de pauzes afvalwater afvloeit en dat het effect van de bemonstering in (nagenoeg) stilstaand water niet uitmaakt, maakt dit niet anders. Deze verstoringen van de meting had de heffingsambtenaar kunnen voorkomen door de voorgeschreven representatieve steekproeven toe te passen. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de in 2006 uitgevoerde meting gelijk is te stellen aan een monsterneming en evenmin dat deze meting nauwkeuriger is geweest dan een correct uitgevoerde monsterneming. Ook de metingen in 2001 en 2003 waarnaar de heffingsambtenaar verwijst, voldoen niet aan het aantal etmalen waarop monsternemingen moeten plaatsvinden. Er is dan ook geen reden de meting in 2006 of een van de eerdere metingen als monsterneming in aanmerking te nemen.
4.9. De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt dat uit de meting het werkelijke aantal vervuilingseenheden is voortgevloeid, naar een overzicht van gelijksoortige bedrijven in [Z] die veelal in waterklasse 11 vallen. Belanghebbende bestrijdt dat haar bedrijf ook in waterklasse 11 valt. Daarbij verwijst zij naar de onder 2.5 genoemde meting in 2015. Uit deze volumeproportionele meting vloeit voort dat het bedrijf van belanghebbende - weliswaar na de verplaatsing naar een nieuwe vestiging - wordt ingedeeld in waterklasse 9. De omstandigheid dat een bedrijf als dat van belanghebbende veelal in waterklasse 11 valt, brengt niet mee dat het bedrijf van belanghebbende ook in die waterklasse valt. Dit oordeel wordt bevestigd door de in 2015 bij belanghebbende uitgevoerde meting. Tegenover belanghebbendes gemotiveerde weerspreking van de stelling van de heffingsambtenaar dat de uit de meting in 2015 voortvloeiende waterklasse het gevolg is van een recent geledigde vet-/slibafscheider heeft de heffingsambtenaar onvoldoende ingebracht, zodat het Hof ervan uitgaat dat het bedrijf van belanghebbende in 2015 terecht in waterklasse 9 is ingedeeld.
4.10. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2014, nr. 13/02358, ECLI:NL:HR:2014:2658 volgt dat de omstandigheid dat een onderzoek van de vervuilingswaarde niet geheel volgens de daarvoor gegeven regels is of kon worden uitgevoerd, niet meebrengt dat het aantal vervuilingseenheden moet worden bepaald alsof geen onderzoek zou hebben plaatsgevonden als bedoeld in artikel 4, lid 1, van het Besluit. Naar het oordeel van het Hof zijn de onvolkomenheden van de als monsterneming aan te merken meting dusdanig, dat de heffingsambtenaar daarmee hooguit de naast gelegen waterklasse aannemelijk heeft gemaakt. Dit is de waterklasse 10, die ook door belanghebbende wordt bepleit.
4.11. Het gelijk is daarom aan belanghebbende. Dan is tussen partijen niet in geschil dat de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water wordt bepaald met behulp van de tabel in artikel 2 van het Besluit, zodat de aanslag verminderd dient te worden tot het door belanghebbende berekende bedrag van € 7.891,34.
Hier te raadplegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 februari 2017, nr. 16_1845, zuiveringsheffing Waterschap Brabantse Delta, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant

2.9. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van artikel 22 van de Wvo is, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 1998/1999, 26 367, nr. 3, p. 9 en 10):
“De vijftien afvalwatercoëfficiënten zijn berekend vanuit de coëfficiënt die behoort bij klasse 8, dit is de coëfficiënt die het huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar afvalwater representeert. (…) De afvalwatercoëfficiënten welke behoren bij de hoogste, onderscheidenlijk de laagste klasse van de Tabel Afvalwatercoëfficiënten komen overeen met het meest, respectievelijk het minst geconcentreerde afvalwater dat uit de praktijk bekend is. (…) Er kan ook op basis van het voorgestelde artikel 22, eerste lid, een afvalwatercoëfficiënt per onderdeel van een bedrijfsruimte worden gehanteerd. Er dient dan wel sprake te zijn van voldoende gescheiden afvalwaterstromen. De in het voorgestelde artikel 22, eerste lid, van de Wvo genoemde eisen voor het mogen toepassen van de tabel afvalwatercoëfficiënten, worden dan per onderdeel van een bedrijfsruimte getoetst. Het is zelfs mogelijk dat binnen één bedrijfsruimte de vervuilingswaarde, bij voldoende gescheiden afvalwaterstromen, deels door middel van meting, bemonstering en analyse en deels aan de hand van de tabel afvalwatercoëfficiënten wordt vastgesteld. (HR 21 november 1990, BNB 1991/120).”
2.10. Vast staat dat een deel van de onderneming van belanghebbende bestaat uit een groentewasserij. In de tabel van artikel 2 van het Besluit wordt de vervuilingswaarde van een groentewasserij vastgesteld op 0,021. De bijbehorende afvalwatercoëfficiënt is dan 0,015 (klasse 7) volgens de tabel in bijlage II bij de Verordening. De rechtbank is van oordeel dat, nu slechts een klein deel van de onderneming uit een groentewasserij bestaat, niet de gehele onderneming kan worden ingedeeld in de categorie ‘groentewasserij’. De omstandigheid dat de groentewasserij binnen de groothandel het meeste afvalwater produceert, zo hier al sprake van zou zijn, kan aan dit oordeel niet afdoen. Om te bepalen of de groentewasserij dan een bedrijfsonderdeel is waarvoor apart een afvalwatercoëfficiënt kan worden gehanteerd, moet volgens de in 2.9 aangehaalde wetsgeschiedenis worden beoordeeld of sprake is van voldoende gescheiden afvalwaterstromen. Ter zitting is door de heffingsambtenaar onweersproken gesteld dat in de onderneming van belanghebbende niet gemeten wordt welk deel van de totale hoeveelheid afvalwater samenhangt met het gebruik van de groentewasserij. Naar het oordeel van de rechtbank is dan geen sprake van voldoende gescheiden afvalwaterstromen en kan er daarom met betrekking tot de groentewasserij geen afzonderlijke (lagere) afvalwatercoëfficiënt in aanmerking worden genomen.
2.11. In de tabel van artikel 2 van het Besluit komt niet de categorie ‘groothandel’ of iets vergelijkbaars voor. Een groothandel valt daarom in de restcategorie ‘de niet in deze tabel vermelde bedrijfsruimten of onderdelen van bedrijfsruimten’. De vervuilingswaarde daarvan is vastgesteld op 0,021 en de bijbehorende afvalwatercoëfficiënt op 0,023 (klasse 8). (...) 2.14. Voor zover de gemachtigde van belanghebbende heeft willen betogen dat de indeling van de groothandel in klasse 8 onredelijk is, omdat een groothandel minder vervuiling oplevert dan een groentewasserij, oordeelt de rechtbank als volgt. Zoals overwogen in 2.10 tot en met 2.12 is de aanslag conform de geldende wet- en regelgeving vastgesteld. Een indeling naar soort bedrijfsruimte (of een onderdeel daarvan) ter vaststelling van de vervuilingswaarde is op zichzelf aanvaardbaar. Dit is slechts anders indien de uitwerking hiervan leidt tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in artikel 122k niet voor ogen kan hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de in 2.9 aangehaalde wetsgeschiedenis volgt dat de coëfficiënt die behoort bij klasse 8 het huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar afvalwater representeert. Dit lijkt een vergelijkbare soort afvalwater als die van een groothandel. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat de afvalwatercoëfficiënten overeenkomen met de geconcentreerdheid van het afvalwater zoals dat uit de praktijk bekend is. Tot slot acht de rechtbank van belang dat in artikel 4 van het Besluit is voorzien in de mogelijkheid van het bepalen van de vervuilingswaarde in afwijking van de tabel.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 23 februari 2016, nr. 15/00146, zuiveringsheffing Waterschap Zuiderzeeland, geheven door de heffingsambtenaar van GBLT

4.6 Anders dan belanghebbende verdedigt is het Hof van oordeel dat de bewijslast van de heffingsambtenaar in aanvang niet verder gaat dan de gemotiveerde stelling dat de onderzoeksweken representatief waren. Daaraan heeft de heffingsambtenaar voldaan. Dat op de heffingsambtenaar een plicht zou rusten om tijdens het onderzoek tevens een onderzoek te doen naar de vraag of mogelijk sprake is van een van het normale productiepatroon afwijkende situatie, acht het Hof onjuist. Het ligt eerder op de weg van belanghebbende om daarvoor gegevens aan te dragen tijdens het onderzoek zodat de controleur daarop meteen adequaat kan reageren en daarnaar eventueel onderzoek kan doen. Het is immers belanghebbende die op de hoogte is van de gebruikelijke productiepatronen en van daarvan afwijkende situaties. Belanghebbende heeft dat echter achterwege gelaten. Zij heeft pas in bezwaar aangevoerd dat geen sprake was van representatieve weken. Dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, uit recente bedrijfsbezoeken in 2015 kan worden afgeleid dat de heffingsambtenaar er bewust op uit is om alleen onderzoek te doen in drukke weken waarin de vervuilingswaarde van het geloosde afvalwater hoog is, acht het Hof niet aannemelijk. Belanghebbende heeft die bewering niet verder onderbouwd en de heffingsambtenaar heeft aangegeven dat in de loop van het jaar ook bedrijfsbezoeken kunnen worden afgelegd voor andere doeleinden dan meting, bemonstering en analyse. Dat daarbij de vraag wordt gesteld of het druk is, is in dat kader naar de mening van de heffingsambtenaar niet meer dan een beleefdheid.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2014, nr. 14/00303, zuiveringsheffing Waterschap Zuiderzeeland, geheven door de heffingsambtenaar van Tricijn belastingen te Zwolle (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn)

4.3 Het is niet in geschil dat in 2005 ambtshalve door de heffingsambtenaar de vervuilingswaarde met toepassing van artikel 4 van het Besluit is vastgesteld en dat de uitkomsten van de onderzoeken hebben geleid tot een indeling van de bedrijfsruimte van belanghebbende in waterklasse 12.
4.4 Noch op grond van de Verordening, noch op grond van enige bepaling in het Besluit wordt de uitkomst van een onderzoek en de bepaling van de vervuilingswaarde met toepassing van artikel 4 van het Besluit vastgesteld bij voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Derhalve kan niet worden gezegd dat de uitkomst van een dergelijk onderzoek en de daarop gebaseerde vaststelling van de vervuilingswaarde per m³ ingenomen water onherroepelijk vast komen te staan doordat de aanslag in de zuiveringsheffing voor het jaar waarin dat onderzoek is ingesteld, onherroepelijk is vast komen te staan.
4.5 Een aanslag in de zuiveringsheffing wordt voor ieder jaar vastgesteld op grond van de voor dat jaar geldende feiten en omstandigheden. Het staat een heffingsplichtige vrij ieder jaar een vastgestelde aanslag in de zuiveringsheffing te bestrijden met alle middelen die hem of haar daarvoor dienstig voorkomen. Niets staat er derhalve aan in de weg dat belanghebbende ook met betrekking tot de voor het onderhavige jaar opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing de juistheid van het in 2005 uitgevoerde onderzoek gemotiveerd aan de orde stelt. Het andersluidende oordeel van de Rechtbank is onjuist.
4.6 Door of in opdracht van de heffingsambtenaar zijn in 2005 twee afvalwateronderzoeken uitgevoerd en wel van 30 augustus 2005 tot en met 5 september 2005, en van 23 november 2005 tot en met 6 december 2005. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat bij de keuze van die perioden de verdeling van het productiejaar in een periode A en een periode B nog geen rol kon spelen omdat die verdeling pas eind 2006 voor het eerst ter sprake kwam. De keuze voor de onderzoeksperioden in 2005 was volstrekt willekeurig. Dat van representatieve weken sprake is geweest volgt naar de mening van de heffingsambtenaar ook uit de uitkomsten van de onderzoeken over de jaren 2003 tot en met 2009. Ook indien rekening wordt gehouden met de verwerking van krab blijft de waterklasse-indeling gelijk. Overigens kan uit de door belanghebbende overgelegde inkoopgegevens volstrekt niet eenduidig worden afgeleid wat de invloed van de krabverwerking is op de vervuilingswaarde van het geloosde afvalwater. De inkopen zeggen niets over de verwerking van krab en belanghebbende heeft verklaard dat ingekochte krab ook onverwerkt wordt doorverkocht. Voorts blijkt uit nadere berekeningen dat, indien de invloed van de krabverwerking wordt geëlimineerd, de uitkomst van de onderzoeken niet zodanig wijzigt dat indeling in een andere waterklasse volgt. De heffingsambtenaar concludeert dat de verwerking van krab niet van invloed is op het antwoord op de vraag naar de representativiteit van de weken waarin de onderzoeken hebben plaatsgevonden.
4.7 Het Hof acht deze stellingen van de heffingsambtenaar aannemelijk en is van oordeel dat dan in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de onderzoeken hebben plaatsgevonden in representatieve weken. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat haar bedrijfsvoering in de jaren 2003 tot en met 2008 nauwelijks is gewijzigd zodat aan de uitkomsten van de onderzoeken in die jaren belang kan worden gehecht voor wat betreft de representativiteit van de onderzoeken in 2005 (vgl. Hoge Raad 12 september 2014, nr. 13/02358, ECLI:NL:HR:2014:2658, r.o. 3.3.1). Alsdan rust op belanghebbende de last het tegendeel aannemelijk te maken. Belanghebbende maakt, met hetgeen zij naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk dat de onderzoeken in 2005 niet in representatieve weken zijn uitgevoerd.
4.8 Nu de grieven van belanghebbende met betrekking tot de in 2005 uitgevoerde onderzoeken en de daarop gebaseerde indeling van belanghebbende in waterklasse 12 niet slagen, kan het resultaat van die onderzoeken bij de vaststelling van de aanslag over 2006 op grond van artikel 4, zevende lid, van het Besluit, in aanmerking worden genomen. Voor dat geval is de berekening van de aanslag als zodanig tussen partijen niet in geschil.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 12 september 2014, nr. 13/02358, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

3.2.2. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat alle drie afvalwateronderzoeken hadden moeten plaatsvinden in het heffingsjaar 2007, geen steun vindt in de wettelijke regeling zelf en al evenmin in de wetsgeschiedenis of de Nota van toelichting bij het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (hierna: het Besluit). In de enkele omstandigheid dat metingen zowel in 2007 als in 2008 hebben plaatsgevonden, heeft het Hof geen reden gezien te twijfelen aan de representativiteit van de onderzoeken.
3.2.3. Gegeven een zekere spreiding in de uitkomsten van de drie onderzoeken, kan naar het oordeel van het Hof heffing plaatsvinden op basis van indeling in klasse 11 (afvalwatercoëfficiënt van 0,088 vervuilingseenheden per m3 ingenomen water) zoals de heffingsambtenaar in hoger beroep voorstaat.
3.3.1. De tegen het hiervoor in 3.2.2 vermelde oordeel van het Hof gerichte klacht faalt. Uitgaande van zijn in cassatie niet bestreden vaststelling dat er geen reden is eraan te twijfelen dat het buiten het heffingsjaar verrichte (derde) onderzoek representatief is voor de vervuilingswaarde die het afvalwater had in de overeenkomstige periode in het heffingsjaar, kon het Hof in navolging van de Rechtbank zonder schending van enige rechtsregel dat onderzoek mede ten grondslag leggen aan zijn oordeel omtrent de vaststelling van het aantal vervuilingseenheden in 2007.
3.3.2. De klachten die zich richten tegen het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval is voldaan aan de eis dat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 4, lid 1, van het Besluit de vervuilingswaarde moet worden bepaald door meting, bemonstering en analyse, een en ander overeenkomstig bij belastingverordening van de kwaliteitsbeheerder gegeven nadere regels, zijn gegrond. Uit de vaststaande feiten volgt dat de totale hoeveelheid ingenomen water en de hoeveelheid afvalwater afkomstig van de rokerij zijn gemeten. Het (mede) aan de berekening van de aanslag ten grondslag gelegde uitgangspunt dat de hoeveelheid afvalwater afkomstig van de expeditieafdeling gelijk is aan het verschil tussen de totale hoeveelheid ingenomen water en de hoeveelheid afvalwater afkomstig van de rokerij, berust op aannamen en daarop voortbouwende berekeningen, zodat niet kan worden gezegd dat de totale hoeveelheid afvalwater door meting is bepaald. Uit de vaststaande feiten volgt voorts dat de afvalwaterstroom afkomstig van de expeditieafdeling tijdproportioneel is bemonsterd in plaats van - zoals voor een geval als het onderhavige is voorgeschreven in de nadere regels die zijn gegeven bij de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2007 - volumeproportioneel.
3.3.3. De hiervoor in 3.3.2 behandelde klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden. Zoals ook door de Rechtbank is geoordeeld, brengt de omstandigheid dat een onderzoek van de vervuilingswaarde niet geheel volgens de daarvoor gegeven regels is (kunnen worden) uitgevoerd, niet mee dat het aantal vervuilingseenheden moet worden bepaald alsof geen onderzoek zou hebben plaatsgevonden als bedoeld in artikel 4, lid 1, van het Besluit. De door belanghebbende verdedigde andere opvatting, te weten dat de vervuilingswaarde forfaitair moet worden bepaald met toepassing van de artikelen 2 en 3 van het Besluit, wat in dit geval leidt tot het in aanmerking nemen van 733 vervuilingseenheden, kan niet worden aanvaard omdat daarmee in strijd zou worden gekomen met artikel 20, lid 1, in samenhang gelezen met artikel 22, leden 1 en 4, van de Wet. Deze wettelijke bepalingen staan de mogelijkheid om de vervuilingswaarde te bepalen met toepassing van artikel 2 van het Besluit alleen toe indien aannemelijk is dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijf 1000 of minder bedraagt, of bij een aantal van meer dan 1000 vervuilingseenheden aannemelijk is dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden op basis van – onder meer – artikel 2 van het Besluit niet resulteert in een lager aantal vervuilingseenheden dan de berekening van dit aantal met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. Al is een onderzoek als bedoeld in artikel 4, lid 1, van het Besluit niet geheel conform de regels uitgevoerd, dat neemt niet weg dat de uitkomst van een dergelijk onderzoek eraan in de weg kan staan aannemelijk te oordelen dat de werkelijke vervuilingswaarde 1000 of minder vervuilingseenheden bedraagt. In het onderhavige geval ligt in de oordelen van de Rechtbank en het Hof dat op grond van de werkelijke vervuilingswaarde het bedrijf van belanghebbende behoort in klasse 11 van de tabel van artikel 22, lid 3, van de Wet, en uitgaande van een in het jaar 2007 ingenomen en afgevoerde hoeveelheid water van 13.575 m3, besloten het oordeel dat niet aannemelijk is dat een berekening overeenkomstig artikel 20, lid 1, van de Wet van de werkelijke vervuilingswaarde uitkomt op 1000 of minder vervuilingseenheden. Hiervan uitgaande hebben de Rechtbank en het Hof terecht afgewezen de stelling van belanghebbende dat de onvolkomenheden die het onderzoek hebben aangekleefd ertoe moeten leiden dat het aantal vervuilingseenheden wordt bepaald met toepassing van artikel 2 van het Besluit, te weten op 733 vervuilingseenheden.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2013, nr. 12/00131, zuiveringsheffing Waterschap Zuiderzeeland, geheven door de heffingsambtenaar van Tricijn belastingen te Zwolle (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn)

4.1 Bij de beantwoording van de in geschil zijnde vraag stelt het Hof voorop dat de uitkomsten als zodanig van de namens de heffingsambtenaar uitgevoerde afvalwateronderzoeken niet in geschil zijn. Ook de berekening als zodanig van de aanslag is niet in geschil. Voorts zijn partijen het erover eens dat, gelet op het karakter van het bedrijf van belanghebbende, onderscheiden kan worden tussen twee tijdvakken A (geen krabverwerking) en B (wel krabverwerking), en dat alleen indien zowel in tijdvak A als in tijdvak B een afvalwateronderzoek is uitgevoerd, de resultaten daarvan kunnen worden aangemerkt als het resultaat van een representatief onderzoek als bedoeld in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water.
4.2 Uit de stukken van het geding komt naar voren dat partijen bij hun verdeling van het kalenderjaar in tijdvakken A en B, ervan zijn uitgegaan dat de verwerking van krab, zo niet pas in juni, dan toch niet eerder dan in mei van een jaar een aanvang nam. In het licht daarvan moet het belanghebbende duidelijk zijn geweest dat de controleur met zijn afvalwateronderzoek in april 2008, duidelijk de intentie had onderzoek te doen naar de vervuilingswaarde van het afvalwater in een zogenoemde niet-krabweek. Uit de interne rapportage van de controlemedewerker zoals die blijkt uit het verweerschrift van de heffingsambtenaar blijkt ook dat hij daarvan uitging en dat er geen enkele aanleiding bestond van het tegendeel uit te gaan.
4.3 Tijdens het onderzoek in april heeft belanghebbende zich niet uitgelaten over de vraag of in haar ogen sprake was van een onderzoek in een krabweek of een niet-krabweek. Evenmin liet zij zich daarover uit toen de resultaten van het onderzoek haar in mei 2008 bekend gemaakt werden.
4.4 In dat geval kan belanghebbende de heffingsambtenaar niet pas achteraf, nadat het heffingsjaar reeds lang was verstreken, in de bezwaarfase tegenwerpen dat het uitgevoerde afvalwateronderzoek niet representatief is geweest. Het had naar het oordeel van het Hof op de weg van belanghebbende gelegen de controleur opmerkzaam te maken op de verwerking van zodanig grote hoeveelheden krab dat, anders dan verwacht mocht worden op grond van resultaten uit het verleden, zijns inziens geen sprake (meer) was van een niet-krabweek. Belanghebbende heeft dit echter nagelaten en de gevolgen daarvan moeten – voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat het afvalwateronderzoek van april 2008 heeft plaatsgevonden in tijdvak B - in dit geval in beginsel voor haar rekening blijven.
4.5 Het vorenstaande zou anders kunnen zijn indien belanghebbende feiten of omstandigheden aannemelijk maakt op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de heffingsambtenaar handelt in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur door zich op het standpunt te (blijven) stellen dat hij ervan uit mocht gaan dat het onderzoek in april een onderzoek in een niet-krabweek was. Dit zou – bijvoorbeeld – het geval kunnen zijn indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de controleur moet hebben geweten dat sprake was van een krabweek. Dit is echter niet het geval. Uit de bevindingen van de controleur zoals deze door hem zijn vastgelegd blijkt dat - voor zover de controleur heeft kunnen waarnemen - van krabverwerking niet of nauwelijks sprake is geweest. Het Hof merkt daarbij op dat binnen het raam van de gemaakte afspraken omtrent de tijdvakken A en B, zoals de heffingsambtenaar terecht stelt, enige marge gewenst is omdat anders iedere geringe hoeveelheid verwerkte krab ertoe zou leiden dat geen sprake meer zou zijn van een niet-krabweek. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de controleur of de heffingsambtenaar moet hebben geweten dat tijdens het onderzoek in april sprake was van de verwerking van een zodanige hoeveelheid krab dat niet meer kan worden gezegd dat de resultaten daarvan niet representatief kunnen zijn voor de niet-krabperiode.
4.6 Ten overvloede overweegt het Hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek in april heeft plaatsgevonden in tijdvak B (de periode waarin krab wordt verwerkt). De pas in de bezwaarfase door belanghebbende gestelde krabaankopen kunnen niet tot die conclusie leiden. Daargelaten dat uit die aankopen niet de verwerking van krab blijkt (het staat vast dat belanghebbende ook onverwerkte krab doorverkocht) maakt belanghebbende, tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar, de juistheid van die gegevens niet aannemelijk. Daarbij overweegt het Hof dat de nadere gegevens van belanghebbende niet tot een sluitende voorraadadministratie leiden. Met zijn ingenomen standpunt heeft de heffingsambtenaar te kennen gegeven dat hij bereid is geweest, ondanks eerdere afspraken, het onderzoek in april als niet-representatief voor een niet-krabweek aan te merken. Door in de bezwaarfase uit te gaan van een grens van 20 percent van de in een krabweek gemiddeld als normaal te beschouwen hoeveelheid verwerkte krab, heeft de heffingsambtenaar geen onredelijk standpunt ingenomen. Niet kan worden geoordeeld dat hij daarmee enig bij belanghebbende in rechte te honoreren vertrouwen zou hebben geschonden.
slotsom
4.7 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
Hier te raadplegen
Het door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is bij Hoge Raad 6 juni 2014, nr. 13/04694 ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie.

Hof Amsterdam 4 april 2013, nr. 11/00603, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

5.2. Op grond van het bepaalde in artikel 10 van de Heffingsverordening Kwaliteitsbeheer Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2007 (hierna: Verordening) en artikel 4, eerste lid, van het Besluit rust op de heffingsambtenaar de last om overeenkomstig de in het Besluit opgenomen bepalingen aannemelijk te maken dat het bedrijf van belanghebbende ingedeeld moet worden in een categorie met een hogere waterklasse dan waterklasse 8.
Hier te raadplegen

Rechtbank Zutphen 14 mei 2012, nr. 10/1320, verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland geheven door Tricijn belastingen (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn)

2.2.2 De rechtbank stelt vast dat vast dat verweerder bij de bestreden aanslag het aantal ve van eiseres heeft gesteld op – in totaal – 54 en dat verweerder daarbij, voor wat betreft de zuurstofbindende afvalstoffen, gebruik heeft gemaakt van de afvalwatercoëfficiënt 0,056 als behorend bij klasse 10 van de in artikel 22, derde lid, van de Wvo vermelde tabel. Voor zover eiseres beroepsgronden heeft voorgedragen tegen verweerders beslissing eiseres in te delen in klasse 11 van evengenoemde tabel met als afvalwatercoëfficiënt 0,088 is de rechtbank van oordeel dat eiseres, zoals ook door haar ter zitting erkend, geen belang heeft bij de beoordeling van die beroepsgronden, nu die gronden niet kunnen leiden tot verlaging van de bestreden aanslag. De rechtbank overweegt daarbij nog dat verweerder ook de aanslag voor het heffingsjaar 2007 niet heeft gebaseerd op een indeling in klasse 11 van de in artikel 22, derde lid, van de Wvo vermelde tabel en dat eiseres, die haar werkzaamheden vanaf 1 maart 2008 heeft voorgezet op een ander adres, om haar moverende redenen geen beroep heeft ingesteld voor wat betreft het heffingsjaar 2008. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat geen rechtsregel, ook het bepaalde in artikel 4, eerste en zesde lid, van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water niet, zich ertegen verzet dat een belastingplichtige een indeling in een hogere klasse aanvecht in het kader van een aan hem in een opvolgend heffingsjaar opgelegde aanslag.
Hier te raadplegen

Rechtbank Roermond 20 maart 2012, nr. 11/621, verontreinigingsheffing en zuiveringsheffing Waterschap Roer en Overmaas, geheven door de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen

20. De stelling van eiseres dat sprake is van één bedrijfsruimte is als zodanig niet door verweerder bestreden. De conclusie die eiseres hieraan verbindt, namelijk dat geen onderscheid mag worden gemaakt tussen de afvalwaterstromen in het complex, heeft verweerder echter niet gevolgd. Verweerder heeft het complex, zijnde één bedrijfsruimte, in onderdelen opgedeeld (ijshal, zwem- en badinrichtingen en overige onderdelen, waartoe de sporthallen en de horecagelegenheid behoren). Op de voormelde drie onderdelen van de bedrijfsruimte heeft verweerder voor de berekening van de vervuilingswaarde de tabel afvalwatercoëfficiënten toegepast. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er sprake is van één bedrijfsruimte niet betekent dat het complex voor de heffing van de verontreinigingsheffing en de zuiveringsheffing als één ondeelbaar geheel moet worden gezien. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de tekst van artikel 22 van de Wvo en artikel 122k van de Waterschapswet waarin is bepaald dat de vervuilingswaarde moet worden berekend van een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan. Ook de in het Besluit 2009 opgenomen tabel ve’s gaat uit van een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan. De aanwezigheid van één bedrijfsruimte staat er derhalve niet aan in de weg dat onderdelen van die bedrijfsruimte voor de verontreinigingsheffing en de zuiveringsheffing afzonderlijk en naar andere maatstaven in de heffing worden betrokken.
21. Verweerder heeft het complex onderverdeeld in de onderdelen ijsbanen (klasse 1); de zwem- en badinrichtingen (klasse 4) en overige onderdelen, waartoe de horecagelegenheid en de sporthallen behoren (klasse 8). De indeling van de ijsbanen in klasse 1 en de indeling van de zwem- en badinrichtingen in klasse 4 heeft eiseres onbestreden gelaten. De sporthallen en de horecagelegenheid hadden echter, aldus eiseres, ingedeeld moeten worden in dezelfde klasse als de zwem- en badinrichtingen, nu, zoals eiseres heeft gesteld, deze onderdelen van het complex ondergeschikt en complementair zijn aan de zwembaden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat – onder meer - het Gerechtshof Amsterdam bij uitspraak van 27 mei 2004 (LJN: AQ6732) heeft geoordeeld over de vraag wanneer een (onderdeel van een) bedrijfsruimte zelfstandig in de heffing van de verontreinigingsheffing is te betrekken. Voor zover van belang heeft het Gerechtshof in die uitspraak als volgt geoordeeld:
“Uit de woorden ‘als afzonderlijk geheel te beschouwen’ leidt het Hof af dat van een bedrijfsruimte eerst sprake is indien de ruimte, voor wat betreft zijn bedrijfsfunctie, voldoende zelfstandigheid bezit. Die zelfstandigheid dient naar het oordeel van het Hof te worden afgeleid uit de aard en inrichting van de ruimte, waarbij bepalend is of de gebruiker bij het gebruik van de bedrijfsruimte op een wijze waarvoor deze naar aard en inrichting is bestemd, meer dan bijkomstig afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. Is dat laatste het geval dan bezit de ruimte onvoldoende zelfstandigheid.
De Hoge Raad heeft in diverse arresten in gelijke zin geoordeeld. Volgens de Hoge Raad moet een bedrijfsruimte zelfstandig zijn te gebruiken. Een gebruiker moet niet afhankelijk zijn van elders aanwezige voorzieningen en welke voorzieningen dat kunnen zijn, is afhankelijk van het type object. Een ruimte of terrein is als afzonderlijk geheel te beschouwen indien de ruimte of het terrein kan worden gebruikt zonder dat de gebruiker voor het gebruik meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders aanwezige voorzieningen. (arresten van de Hoge Raad van 23 juni 1982, BNB 1982/234, 23 juli 1984, BNB 1984/282 en 283 en 14 juni 1995, BNB 1995/233).
22. Gezien voormelde jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gemaakte onderverdeling van het complex de toets in rechte kan doorstaan. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat, zoals verweerder onbestreden heeft gesteld en zoals ook blijkt uit de omschrijving op de website van eiseres, de diverse faciliteiten in het complex zelfstandig zijn te gebruiken. Een ijshockeyer die gebruikt maakt van de ijsbanen kan dat doen zonder tevens gebruik te maken van de zwembaden. Datzelfde geldt voor gebruikers van de wielerbanen, de sporthallen en de horecagelegenheid. Gebruik van de horecagelegenheid verplicht voorts niet tot gebruik van één van de sportfaciliteiten. Ter zitting heeft eiseres in dit verband desgevraagd verklaard dat - zij het dat in beginsel bij het organiseren van activiteiten in het complex de combinatie van horeca met een sportieve activiteit wordt beoogd - het organiseren van een bedrijfsfeest in haar complex ook mogelijk is zonder dat gebruik wordt gemaakt van de zwembaden. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de diverse faciliteiten ieder over hun eigen sanitaire voorzieningen beschikken, zodat niet kan worden gezegd dat een gebruiker van faciliteiten in meer dan bijkomende mate afhankelijk is van buiten de ruimte aanwezige voorzieningen. De door eiseres aangevoerde omstandigheden op grond waarvan zij van mening is dat sprake is van een zwem- en badinrichting met faciliterende voorzieningen, zien niet op de vraag of de diverse faciliteiten zelfstandig zijn te gebruiken en kunnen derhalve reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden. De verwijzing van eiseres naar een aangifteformulier van de waterschappen Vallei & Eem, Veluwe en Zuiderzeeland, waarin is vermeld dat een zwembad dat onderdeel uitmaakt van een ziekenhuis of een hotel geen apart bedrijfsonderdeel vormt, kan niet slagen. In een dergelijk geval maakt het zwembad deel uit van het hotel of het ziekenhuis en is het zwembad niet als een zelfstandig te gebruiken bedrijfsruimte aan te merken, hetgeen, zoals is overwogen in het vorenstaande, bij het bedrijf van eiseres evident anders is.
23. Het standpunt van eiseres dat het onbegrijpelijk is dat aan het afvalwater uit de douches en de sanitaire voorzieningen van de overige onderdelen van het complex een hogere vervuilingswaarde (klasse 8) wordt toegekend dan aan het afvalwater van de zwem- en badinrichtingen (klasse 4), terwijl de vervuilingswaarde van de douches en sanitaire voorzieningen van de overige onderdelen, aldus eiseres, niet afwijkt van de vervuilingswaarde van de douches en sanitaire voorzieningen van de zwembaden, ziet de rechtbank als bezwaren tegen de klassenindeling. Door middel van de onderhavige procedure kan eiseres echter niet bewerkstelligen dat een onderdeel van het complex in een andere klasse wordt ingedeeld. Op grond van artikel 4 van het Besluit dient de heffingsplichtige hiertoe een aanvraag in te dienen om op zijn kosten aan de hand van meting, bemonstering en analyse de vervuilingswaarde per m³ ingenomen water vast te laten stellen. Alhoewel verweerder eiseres op deze mogelijkheid heeft gewezen, heeft eiseres hiervan geen gebruik gemaakt. De stelling van eiseres dat zij vanwege de lage voorlopige aanslagen geen aanleiding had om over te gaan tot meting, bemonstering en analyse acht de rechtbank niet aannemelijk, nu eiseres bekend was met de klassenindeling en ook in voorgaande jaren reeds sprake is geweest van heffing conform deze klassenindeling. Het door eiseres bij haar nadere gronden van beroep overgelegde indicatieve afvalonderzoek van Tauw B.V. van 10 februari 2012 kan niet als een meting, bemonstering en analyse in de zin van artikel 4 van het Besluit gelden. Niet is immers gebleken dat dit onderzoek voldoet aan de voorwaarden van het vierde lid, van artikel 4 van het Besluit.
Hier te raadplegen

HOOGTE AANSLAG

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli 2017, nr. 16_3809, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Brabantse Delta, geheven doorBelastingsamenwerking West-Brabant

4.7.1. De aanslag zuiveringsheffing 2012 is opgelegd naar 5,4 vervuilingseenheden. Dit aantal is gebaseerd op een formule die is vermeld in artikel 10, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing. Bij de toepassing van de formule is als basis genomen het waterverbruik volgens het waterbedrijf in de periode tussen 3 december 2011 en 29 november 2012 van 235 m3, welk verbruik vervolgens is herleid tot een verbruik voor het kalenderjaar 2012 van 235 m3/361 dagen x 365 dagen = 237 m3. Dit getal is vervolgens vermenigvuldigd met een afvalwatercoëfficiënt per m3 van 0,023.
4.7.2. Belanghebbende heeft hiertegen het volgende aangevoerd:
- het hanteren van het waterverbruik van 237 m3 is niet juist. Omdat een groot deel van het water is gebruikt voor de grondige verbouwing van tweetal omliggende huisjes, dient een gedeelte van het waterverbruik niet aan de woning te worden toegerekend;
- de periode waarover het waterbedrijf het waterverbruik heeft berekend, is niet gelijk aan het kalenderjaar zoals genoemd in het tweede lid van artikel 10 van de Verordening zuiveringsheffing. Volgens belanghebbende moet van het waterverbruik van 237 m3 voor 2011/2012 één maand aan 2011 worden toegerekend, en moet voor het waterverbruik van 150 m3 voor 2012/2013 één maand aan 2012 worden toegerekend.
- het is niet redelijk en billijk om ten aanzien van de woning de fictieve vervuilingswaarde van 0,023 m3 te hanteren terwijl uit het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 blijkt dat het vervuilingscoëfficiënt per m3 water van een recreatiewoning 0,021 m3 is.
4.7.3. Het eerste argument helpt belanghebbende niet. De heffingsgrondslag wordt bepaald door de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De heffingsmaatstaf is de vervuilingswaarde, die wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden (artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing). Niet in geschil is dat voor de bepaling van het aantal vervuilingseenheden hier terecht de formule A x B van artikel 10, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing is gebruikt. Onderdeel A van de formule is het aantal m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte ingenomen water. Het feit dat hier een hoeveelheid ten behoeve van de woning ingenomen water is gebruikt voor andere woningen, is dus niet van belang voor de bepaling van de heffingsgrondslag. Het doel van het waterverbruik is immers niet maatgevend. Dat het water is gebruikt voor andere woningen doet niet eraan af dat het water eerst ten behoeve van de woning is ingenomen.
4.7.4. Tussen partijen is niet in geschil dat de ingenomen hoeveelheid water (hierna ook: het waterverbruik) in de periode tussen 3 december 2011 en 29 november 2012 235 m3 is geweest. Artikel 10, derde lid, van de Verordening zuiveringsheffing bepaalt dat indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vaststelt op een door hem nader vast te stellen wijze. Volgens de toelichting bij de Verordening zuiveringsheffing wordt in het geval dat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent niet gelijk is aan het kalenderjaar, de beschikbare gegevens herleid tot verbruik over het kalenderjaar.
Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar enige beleidsvrijheid met betrekking tot de herleiding van het waterverbruik. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de heffingsambtenaar daaraan invulling heeft gegeven op zichzelf niet onredelijk is, in aanmerking genomen dat de door belanghebbende bepleite methode als praktisch nadeel heeft dat aan het eind van het belastingtijdvak nog niet alle gegevens bekend zijn. Uit artikel 10, derde lid, van de Verordening zuiveringsheffing volgt echter dat de herleiding dient te gebeuren op “een door [de heffingsambtenaar] nader vast te stellen wijze”. De heffingsambtenaar kon desgevraagd op de eerste zitting niet duidelijk maken waarop de door hem toegepaste herleiding (zie 4.7.1) is gebaseerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar niet nader een wijze van herleiding heeft vastgesteld, wat uit het oogpunt van rechtsgelijkheid en consistentie wel geboden was. De rechtbank stelt het waterverbruik in goede justitie tijdsevenredig vast op 11/12 x 235 m3 plus 1/12 x 150 m3 is afgerond 227,9 m3. Niet aannemelijk is geworden dat het waterverbruik lager is. Het tweede argument van belanghebbende treft dus gedeeltelijk doel.
4.7.5. De aanslag zuiveringsheffing 2012 is door de heffingsambtenaar berekend op basis de hoeveelheid ingenomen water en is uitgedrukt in vervuilingseenheden. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing wordt het aantal vervuilingseenheden bepaald door de hoeveelheid ingenomen water te vermenigvuldigen met de afvalwatercoëfficiënt dat behoort bij de klasse van de in Bijlage 2 (tabel watercoëfficiënten) van de Verordening zuiveringsheffing opgenomen tabel. De indeling in een klasse geschiedt op grond van artikel 10, vierde lid, van de Verordening Zuiveringsheffing in samenhang met artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. Volgens de tabel van artikel 2 van voornoemd besluit is de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water van de niet in de tabel vermelde bedrijfsruimten 0,021. Op grond van bijlage 2 (tabel watercoëfficiënten) valt de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water van 0,021 binnen de bandbreedte van klasse 8 van de tabel watercoëfficiënten. Klasse 8 heeft volgens de tabel watercoëfficiënten een afvalwatercoëfficiënt van 0,023. De toegepaste afvalwatercoëfficiënt van 0,023 is dus juist.
Belanghebbende voert aan dat het onredelijk is om een afvalwatercoëfficiënt van 0,023 te hanteren terwijl op basis van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde de vervuilingswaarde 0,021 bedraagt. Dit argument kan belanghebbende niet baten. Het is inherent aan het werken met klassen dat zo’n effect kan optreden. Het werken met klassen is op zichzelf niet onredelijk en is bovendien in de Waterschapswet (artikel 122k) neergelegd. Dit laatste maakt dat de rechter de redelijkheid van de klassen niet mag toetsen, behoudens aan internationale verdragen. Van schending van een internationaal verdrag is echter geen sprake.
4.7.6. De aanslag zuiveringsheffing 2012 moet gelet op het voorgaande worden verminderd tot een opgelegd naar (227,9 m3 x 0,023 is) 5,2 vervuilingseenheden, dus – gelet op het tarief van € 49,60 – van € 267,84 naar € 257,90.
Hier te raadplegen

Rechtbank Utrecht 25 september 2012, nr. 11/577, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

1. De rechtbank blijft bij en bouwt voort op al wat zij in de tussenuitspraak van 2 mei 2012 heeft overwogen en beslist. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank - kort gezegd - bepaald dat verweerder niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot de conclusie van een verbruik van 100 m3 per persoon per jaar is gekomen. Dit brengt mee dat de rechtbank niet kan toetsen of verweerder in redelijkheid tot de vastgestelde vervuilingseenheden van 18,4 heeft kunnen komen. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek. Voorts heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen door alsnog inzichtelijk te maken hoeveel personen per jaar bij de genoemde Chinese restaurants afzonderlijk werkzaam waren.
2. Teneinde het gebrek aan het bestreden besluiten te herstellen heeft verweerder op 14 juni 2012 een nadere motivering ingediend.
3. De vraag of verweerder met deze nadere motivering het geconstateerde gebrek heeft hersteld, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Volgens verweerder waren bij [zaak 1] in Woerden, [zaak 2] in Wijk bij Duurstede, [zaak 3] in Houten en [zaak 4] te Nieuwegein respectievelijk 9, 10, 10 en 5 personen werkzaam. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder uittreksels van de Kamer van Koophandel bijgevoegd van [zaak 1], [zaak 2] en [zaak 4], waarop het aantal werkzame personen is vermeld. Daarnaast zijn de waterverbruiken per restaurant over een periode van drie jaren in kubieke meters bekend. Op basis van deze gegevens heeft verweerder het gemiddelde verbruik van [zaak 1], [zaak 2] en [zaak 3] bepaald op 1.150 m3. Voor [zaak 4] is dit 625,3 m3. Nu bij de eerste drie restaurants afzonderlijk gemiddeld tien personen werkten, leidt dit tot een verbruik van 115 m3 per persoon per jaar. Bij [zaak 4] werkten vijf personen en is dit dus 125 m3. De rechtbank overweegt dat verweerder met deze informatie voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot de conclusie van een verbruik van 100 m3 per persoon per jaar is gekomen. Voorts wordt eiseres met deze berekeningswijze niet benadeeld. Met verweerder concludeert de rechtbank dat nu acht personen werkzaam waren bij eiseres, het waterverbruik van 800 m3 per jaar over het belastingjaar 2009 niet te hoog is geschat.
4. Op grond van artikel 10 van de Verordening zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 wordt in dit geval het aantal vervuilingseenheden berekend door de afvalcoëfficiënt te vermenigvuldigen met het aantal m3 in het kalenderjaar ingenomen water. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, staat de afvalwatercoëfficiënt van 0,023 vast. Het waterverbruik van eiseres per jaar van 800 m3 is niet te hoog geschat. Een vermenigvuldiging van deze twee waarden leidt tot 18,4. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de vastgestelde vervuilingseenheden van 18,4 heeft kunnen komen.
5. In haar zienswijze heeft eiseres de schattingsmethode opnieuw betwist. Deze enkele betwisting geeft de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan hetgeen hierover in de tussenuitspraak is overwogen.
Hier te raadplegen

Rechtbank Utrecht 2 mei 2012, nr. 11/577T, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

1. Eiseres exploiteert een Chinees restaurant, [eiseres]. Het restaurant is gevestigd op [adres] te [woonplaats], gelegen in een winkelcentrum. De huurders in dit winkelcentrum beschikken niet over een eigen watermeter. (...)
2. (...) Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder merkt op dat de aanslag zuiveringsheffing wordt berekend op basis van de hoeveelheid water die wordt gebruikt. Indien deze hoeveelheid niet bekend is, wordt deze geschat. Het verbruik van eiseres is niet bekend, aangezien zij niet beschikt over een watermeter. Verweerder heeft het waterverbruik geschat op 800 m3 per jaar. Dit is gebaseerd op gemeten waterverbruik van vergelijkbare Chinese restaurants.
5. In beroep betoogt eiseres - kort gezegd - dat de aanslag waterschapsbelasting zuiveringsheffing van in totaal € 1.006,85 voor het belastingjaar 2009 onjuist is. Het aantal vervuilingseenheden is namelijk te hoog vastgesteld. Dit is het gevolg van verweerders te hoge schatting van het waterverbruik van 800 m3. Eiseres vindt de uitkomst van de schatting willekeurig. De methode van verweerder is volgens eiseres in strijd met de wet.
Verder heeft eiseres aangevoerd dat de bewijslast wordt omgedraaid. Eiseres kan zich niet verdedigen, omdat zij hiervoor geen middel heeft. De aanslag wijkt af van aanslagen van voorgaande belastingjaren.
6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verweerder het juiste afvalwatercoëfficiënt van 0,023 heeft gehanteerd om het aantal vervuilingseenheden te berekenen. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder bevoegd was het aantal vervuilingseenheden geheel of gedeeltelijk door middel van schatting vast te stellen, in die zin dat verweerder het waterverbruik van eiseres heeft mogen schatten. Vaststaat immers dat eiseres geen watermeter had, zodat de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kon worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden. Zoals ter zitting door verweerder is meegedeeld kan eiseres er voor kiezen een eigen watermeter te laten installeren. Daarmee kan het exacte waterverbruik worden gemeten. Tot op heden heeft eiseres daarvoor niet gekozen.
7. Anders dan eiseres stelt, komt de door verweerder gehanteerde methode van schatten de rechtbank redelijk voor. Over de vaststelling van het aantal vervuilingseenheden heeft verweerder ter zitting desgevraagd toegelicht dat het feitelijk gemeten waterverbruik van drie vergelijkbare Chinese restaurants is genomen om het waterverbruik van eiseres te schatten. Het waterverbruik van die restaurants heeft verweerder teruggerekend naar het aantal personeelsleden. Daaruit is naar voren gekomen dat gemiddeld per personeelslid 100 m3 water wordt verbruikt. Nu eiseres acht personeelsleden heeft gehad in 2009, schat verweerder het waterverbruik van eiseres over het belastingjaar op 800 m3. De rechtbank overweegt dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat deze gehanteerde methode in strijd is met een wettelijke bepaling dan wel willekeur in de hand werkt. Dat de onderhavige aanslag afwijkt van de opgelegde aanslagen in voorgaande jaren, zoals eiseres stelt, maakt dit niet anders.
8. Verweerder heeft echter niet voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie van een verbruik van 100 m3 per persoon per jaar is gekomen. Ter onderbouwing van de schatting van het waterverbruik heeft verweerder in zijn nadere schriftelijke toelichting van 16 februari 2012 de namen van de drie vergelijkbare Chinese restaurant genoemd, te weten De Lange Muur in Woerden, Lucky House in Wijk bij Duurstede en China City in Houten. Daarbij zijn de waterverbruiken vermeld per restaurant in kubieke meters in 2008, 2009 en 2010. Verweerder heeft het gemiddelde verbruik van deze jaren per restaurant afgerond op 1.150 m3 per jaar. Volgens verweerder werken bij de drie restaurants gemiddeld tien personen, zodat dit leidt tot een verbruik van 115 m3 per persoon per jaar. Afgerond is dit 100 m3 per persoon per jaar voor een Chinees restaurant. Verweerder concludeert dat nu acht personen werkzaam zijn bij eiseres, het waterverbruik terecht is geschat op 800 m3 per jaar.
Verweerder heeft ter zitting gesteld dat gemiddeld 100 m3 water wordt verbruikt per personeelslid per jaar. Uit de hiervoor gegeven informatie kan niet worden afgeleid of dit het geval is. Immers niet blijkt hoeveel personen per jaar bij de afzonderlijk genoemde Chinese restaurants werkzaam waren. Verweerder heeft enkel gesteld dat gemiddeld bij deze restaurants tien personen werkzaam waren. Nu deze informatie te weinig specifiek is, is niet te verifiëren of de berekening van het waterverbruik per persoon per jaar juist is. Dit brengt mee dat de rechtbank niet kan toetsen of verweerder in redelijkheid tot de vastgestelde vervuilingseenheden van 18,4 heeft kunnen komen. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek. Het betoog van eiseres slaagt dan ook in zoverre.
9. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als zij artikel 8:51a van de Awb toepast.
10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen het bovengenoemde gebrek aan het bestreden besluit te herstellen. Verweerder kan het geconstateerde gebrek herstellen door alsnog inzichtelijk te maken hoeveel personen per jaar bij de genoemde Chinese restaurants afzonderlijk werkzaam waren. De termijn waarbinnen verweerder het genoemde gebrek kan herstellen, bepaalt de rechtbank op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Hier te raadplegen

Rechtbank Den Haag 16 maart 2012, nr. 11/8650, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Delfland geheven door de Regionale Belasting Groep te Delft

1. De aanslag is met dagtekening 31 juli 2011 opgelegd ter zake van het afvoeren van stoffen uit een door verweerder als bedrijfsruimte aangemerkt gedeelte (hierna: het werkgedeelte) van het pand [a-straat 1] te [Z] (hierna: het pand). Het pand, waartoe een grote tuin behoort, is eigendom van de ouders van eiser, die ook in het pand wonen. Eiser heeft het werkgedeelte van zijn ouders gehuurd; in het werkgedeelte houdt de onderneming van eiser kantoor. Er is maar één watermeter in het pand; een aparte meter voor het in het werkgedeelte verbruikte water ontbreekt.
2. Verweerder heeft de hoeveelheid in het werkgedeelte verbruikte water geschat op basis van de veronderstelling dat het voor het pand gemeten verbruik van 260 m3, voor zover dat niet aan de ouders van eiser wordt toegerekend, aan het werkgedeelte moet worden toegerekend. Het aan de ouders van eiser toegerekende verbruik van 47 m3 per persoon is geschat uitgaande van een vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd van één vervuilingseenheid (hierna: v.e) en een afvalwatercoëfficiënt van huishoudelijk afvalwater van 0,0213 v.e. per m3 (47 x 0,0213 = 1). Samen resulteren deze schattingen in een aan het werkgedeelte toegerekend verbruik van (260 m3 - 2 x 47 m3 =) 166 m3. Omdat een hoeveelheid verbruikt water van 166 m3 minder dan 5 v.e. vertegenwoordigt, heeft verweerder de vervuilingswaarde van de vanuit het werkgedeelte afgevoerde stoffen op 3 v.e. vastgesteld (...).
6. Verweerder dient, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, aannemelijk te maken dat hij de ter zake van het afvoeren van stoffen vanuit het werkgedeelte verschuldigde belasting niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hierin is verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Verweerder heeft het volledige waterverbruik in het pand van 260 m3, na aftrek van 94 m3, toegerekend aan het werkgedeelte. Hij heeft daarbij geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het waterverbruik in het werkgedeelte veel geringer is dan het waterverbruik in het woondeel van het pand, onder meer doordat de in het werkgedeelte werkzame personen daar slechts ca. 40 uur per week verblijven en zich daar niet wassen, baden of douchen en in de zomermaanden de grote, bij het pand behorende tuin niet vanuit het werkgedeelte, maar door de bewoners van het woondeel van het pand wordt besproeid. Gelet hierop is het onaannemelijk dat het waterverbruik in het werkgedeelte 1,75 keer zo hoog is al het waterverbruik in het woondeel, zoals verweerder stelt.
7. Nu verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiser zijn stelling dat het waterverbruik in het werkgedeelte correspondeert met vervuilingswaarde van minder dan 1 v.e., aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. Eisers schatting van het waterverbruik van de in het werkgedeelte werkzame personen is, nu zij daar ca. 40 uur per week verblijven en hun waterverbruik in het werkgedeelte, naar eiser onweersproken heeft gesteld, uitsluitend de onder 3. genoemde oorzaken heeft, alleszins redelijk. Met deze redelijke schatting heeft eiser voldoende onderbouwd dat de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit het werkgedeelte worden afgevoerd 1 v.e. of minder bedraagt.
Hier te raadplegen

HEFFING OP ZWARE METALEN

Rechtbank Zutphen 9 mei 2012, nr. 10/1328, verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland, geheven door Tricijn belastingen (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn)

2.2.3 De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder bij de bestreden aanslag het aantal ve van eiseres heeft gesteld op – in totaal – 162,5 ve en dat verweerder daarbij, voor wat betreft de niet-zuurstofbindende afvalstoffen, zoals arseen, het aantal ve heeft geschat met inachtneming van een op 2 juli 2007 bij eiseres afgenomen steekmonster. Voor zover eiseres beroepsgronden heeft voorgedragen tegen verweerders beslissing eiseres in te delen in klasse 11 van de in artikel 22, derde lid, van de Wvo vermelde tabel met als afvalwatercoëfficiënt 0,088, overweegt de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van heden over het heffingsjaar 2006 (10/1320) dat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van die beroepsgronden. De door eiseres voorgedragen beroepsgronden met de strekking dat het aantal ve voor het lozen van arseen moet worden gesteld op nihil falen. De rechtbank overweegt daarbij met verwijzing naar de uitspraak van 1 juni 2010 (LJN: BM9134) van het Hof Arnhem, in het bijzonder rechtsoverweging 4.5 van die uitspraak, die evenzeer van toepassing is in deze procedure, allereerst dat eiseres ten onrechte niet heeft voldaan aan haar meetverplichting en dat verweerder het aantal ve daarom heeft mogen schatten. Nu verweerder bij eiseres op 2 juli 2007 een steekmonster heeft afgenomen en verweerder bovendien – onweersproken – naar voren heeft gebracht dat het resultaat van die monsterneming niet afwijkt van bij vergelijkbare bedrijven aangetroffen waarden, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat verweerder het aantal ve te hoog heeft geschat. Dat bijlage1 bij de Verordening het gebruik van steekmonsters verbiedt, zoals door eiseres aangevoerd, noopt niet tot een ander oordeel, reeds nu de in die bijlage opgenomen voorschriften geen betrekking hebben op de totstandkoming van een schatting, als bedoeld in artikel 20, achtste lid, van de Wvo.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 1 maart 1995, nr. 28.866, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.4. Middel V houdt mede in het betoog dat de Verordening door gebruikers van bedrijfsruimten, anders dan gebruikers van woonruimten, in de heffing voor zware metalen te betrekken, in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel.
3.5. De lozingen vanuit woonruimten hebben in het algemeen per woonruimte slechts in geringe mate betrekking op zware metalen, zowel naar hoeveelheid als naar hoedanigheid. Bij lozingen vanuit bedrijfsruimten is dit veelal anders. In de Verordening is ten aanzien van woonruimten kennelijk uit overwegingen van doelmatigheid - de eenvoudige uitvoerbaarheid - gekozen voor een forfaitair heffingssysteem zonder daarbij rekening te houden met de in het algemeen geringe vervuilingswaarde per woonruimte van zware metalen, terwijl bij bedrijfsruimten overwegingen van doelmatigheid kennelijk niet in de weg hebben gestaan aan heffingen op basis van de vuillast per bedrijf waarbij rekening wordt gehouden met de lozing van zware metalen. Van laatstbedoelde heffingen gaat, anders dan van forfaitaire heffingen, een stimulerende werking uit in die zin dat de lozende bedrijven een bijzondere reden hebben om zelf maatregelen te nemen ter beperking van de lozing van zware metalen.
3.6. In het midden kan blijven of woonruimten en bedrijfsruimten voor wat betreft de lozing van zware metalen in een gelijke positie verkeren en of, zo daarvan sprake is, voor de ongelijke behandeling in de Verordening van gebruikers van woonruimten en gebruikers van bedrijfsruimten een objectieve en redelijke rechtvaardiging gevonden kan worden. Van de in de Verordening getroffen regeling kan in elk geval, gelet op het onder 3.2 overwogene niet worden gezegd dat zij iedere redelijke grond ontbeert. Voorts wordt blijkens een door de Unie van waterschappen opgesteld Model-besluit tot wijziging van de Verordening op de verontreinigingsheffing met ingang van 1 januari 1994, voorzien in een heffingsvrije grens voor zware metalen (rondzendbrief U 7667 AJBZ/MW, gepubliceerd in Belastingblad 1993, blz. 522 e.v.). Gelet op deze omstandigheid en ervan uitgaande dat ook regionale waterkwaliteitsbeheerders een heffingsvrije grens van zware metalen zullen gaan hanteren, welke verwachting in het onderhavige geval te meer gegrond is nu met ingang van 1 januari 1993 in de Wet verontreinigingsheffing oppervlaktewateren voor bedrijfsruimten opgenomen zware metalenheffing ook een heffingsvrije grens kent, is er voor de rechter geen goede grond om thans nog over te gaan tot een ingrijpen in die zin, dat bij de berekening van de aanslag de vervuilingseenheden zware metalen buiten aanmerking moeten worden gelaten.
Middel V kan derhalve in zoverre niet tot cassatie leiden.
Hier te raadplegen

AANSLAGTERMIJN

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli april 2017, nrs. 16/3809, 16/3811, 16/3812, 16/2171, 16/3810, 16/3813 en 16/3814, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Vallei en Veluwe, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant

4.6.1. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de aanslag zuiveringsheffing 2012 buiten de driejaarstermijn is opgelegd. Volgens belanghebbende vangt de driejaarstermijn aan op 1 januari 2012 en eindigt deze op 31 december 2014.
4.6.2. Vast staat dat de heffingsmaatstaf van voormelde aanslag bepaald is naar het waterverbruik en niet forfaitair is vastgesteld. Nu de betreffende aanslag niet op forfaitaire wijze is bepaald maar aan de hand van het waterverbruik, wordt de belastingschuld overeenkomstig artikel 11, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang gelezen met artikel 123 van de Waterschapswet geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak eindigt, waarna de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld. Vergelijk Hof Arnhem van 7 februari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV7054. Nu als heffingsjaar het kalenderjaar heeft te gelden (artikel 5 van de Verordening zuiveringsheffing) kan de grootte van de belastingschuld eerst worden vastgesteld na afloop van het jaar 2012. Aangezien de aanslag zuiveringsheffing 2012 op 31 december 2015 is opgelegd, is de aanslag binnen de driejaarstermijn van artikel 11, derde lid van de AWR vastgesteld. Bij het voorgaande verdient opmerking dat weliswaar op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening zuiveringsheffing bij een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15 van de Verordening zuiveringsheffing, de belastingschuld reeds bij het begin van het heffingsjaar ontstaat, maar dat van een dergelijke bedrijfsruimte hier geen sprake is. Belanghebbende heeft namelijk niet voldaan aan de in dat artikel vermelde bewijslast (vgl. ook 4.7.4 hierna).
Hier te raadplegen

Rechtbank Overijssel 6 april 2017, nrs. 16_2603, 16_2604 en 16_2605, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Brabantse Delta, geheven door Belastingsamenwerking West-Brabant

4.2. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
4.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat verweerder tot 1 januari 2016 bevoegd was om de belastingaanslag voor 2013 vast te stellen. Nu de dagtekening van het aanslagbiljet op 31 juli 2016 geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag, is de aanslag buiten de driejaarstermijn opgelegd. Het beroep geregistreerd met kenmerk AWB 16/2603 is daarom gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De aanslag van 31 juli 2013 betreffende het heffingsjaar 2013 wordt herroepen. Deze uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde besluit.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem 7 februari 2012, nrs. 11/00484 en 11/00485, verontreinigingsheffing van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

3.2. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat het de Ambtenaar rechtens vrijstaat in een geval als het onderhavige de vervuilingswaarde niet op de voet van artikel 15 van de Verordening forfaitair te bepalen maar aan de hand van schattingen van het watergebruik naar aanleiding van metingen door het waterleidingbedrijf, zoals in de onderhavige jaren is gebeurd.
4.1. Artikel 4, eerste lid, van de Verordening luidt voor zover hier van belang:
“De heffing ter zake van woonruimten en bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar (…)”.
4.2. Artikel 5 van de Verordening luidt:
“Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.”
4.3. Artikel 15 van de Verordening luidt:
“In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringstechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op 3 vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aan¬nemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan 5 vervuilingseenheden bedraagt en op 1 vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde 1 vervuilingswaarde of minder bedraagt.”
4.4. De bij de Verordening behorende toelichting vermeldt onder meer:
“Artikel 4. Eerste lid. Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat reeds in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. (…) Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat een de heffingsverordening bepaalde eisen worden gesteld om een definitieve aanslag reeds in het heffingsjaar zelf op te leggen (in plaats van een voorlopige aanslag). Het gaat hierbij om: – een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);
– een regeling op grond waarvan ontheffing wordt verleend indien de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt. Voor woonruimten en kleine bedrijfsruimten is deze tijdseven¬redige ontheffing geregeld in artikel 4, derde lid;
– een regeling om bij wijzigingen van de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar, ontheffing te verlenen. Voor woonruimten is dit geregeld in artikel 16 en voor bedrijfs¬ruimten n artikel 15.”
4.5. Uit het bepaalde in artikelen 4 en 15 van de Verordening in onderling verband en samen¬hang gelezen, leidt het Hof, mede gelet op de hiervoor – onder 4.4 – weergegeven toelichting op artikel 4 van de Verordening, af dat slechts indien artikel 15 voormeld wordt toegepast, en de aanslag derhalve op forfaitaire wijze wordt opgelegd, de belastingschuld aan het begin van het heffingsjaar, in casu: 1 januari van enig jaar, ontstaat. Als evenwel er voor gekozen wordt de heffingsmaatstaf niet forfaitair te bepalen, maar aan de hand van schattingen van het water¬gebruik naar aanleiding van metingen door het waterleidingbedrijf, zoals voor de onderhavige jaren is geschied, wordt de belastingschuld overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, vierde lid, van de AWR geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak eindigt, waarna de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld. Belanghebbendes primaire grief faalt derhalve.
Hier te raadplegen

NAVORDERING/BOETE

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, nrs. 15/00673, 15/00675 en 16/00676, zuiveringsheffing Waterschap Vallei & Eem, geheven door de heffingsambtenaar van Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) te Zwolle

4.15 Aan de hand van bovenstaande onderbouwing, welke ervan uitgaat dat in 2009 in het geheel geen digestaat is gerecycled, zijn 22.267,09 v.e.’s tegen een tarief van € 43,08 niet in de aangifte opgenomen. Het Hof acht het, ervan uitgaande dat het tot medio 2009 niet onmogelijk was het digestaat te recyclen, aannemelijk dat vanaf medio 2009 de helft, te weten ruim 11.000 v.e.’s (tegen een tarief van € 43,08 per v.e.) op het riool zijn afgevoerd. Het Hof acht het derhalve aannemelijk dat voor een bedrag van € 473.880 (€ 43,08 x 11.000 v.e.’s) te weinig v.e.’s in de aangifte zijn opgenomen. Gelet op de aangifte, waarin een bedrag van € 591,92 (13,74 v.e.’s x € 43,08) is aangegeven, is dit bedrag zowel relatief als absoluut aanzienlijk. De conclusie moet dan ook zijn dat belanghebbende voor het jaar 2009 de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.
4.16 Omkering en verzwaring van de bewijslast brengt mee dat de aanslag 2009 in stand dient te blijven, tenzij is gebleken dat deze onjuist is. Een en ander ontslaat de heffingsambtenaar niet van de plicht bij het opleggen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting, in de zin dat deze niet naar willekeur mag zijn vastgesteld.
4.17 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet doen blijken dat de aanslag onjuist is. Het oordeel dat vanaf medio 2009 digestaat niet langer in de vergister kon worden gerecycled, brengt immers niet noodzakelijkerwijs mee dat het digestaat voor die datum wél in zijn geheel in de vergister gerecycled werd. Het Hof is verder van oordeel dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag, die is gebaseerd op de aanname dat al het in 2009 geproduceerde digestaat is afgevoerd via het riool, is uitgegaan van een redelijke schatting. De bevindingen in het Verslag, inhoudende dat bij de berekening van de hoeveelheid asrest in de vergister bij volledige recycling van het digestaat eerder sprake is van een onderschatting dan een overschatting (zodat het waarschijnlijker is dat het vergistingsproces eerder dan medio 2009 zou zijn bij volledige recycling van het digestaat), wijzen in de richting van die aanname. Ook de berekening van [J] komt uit op stagnatie van het vergistingsproces bij volledige recycling van het digestaat ver vóór medio 2009. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat de schatting van de heffingsambtenaar niet willekeurig is.
4.18 Met betrekking tot de aanslag 2010 heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat 4.095,82 v.e.’s (tegen een tarief van € 45,25 per v.e. maakt € 185.335,86) ten onrechte niet in de aangifte 2010 zijn opgenomen. Gelet op de aangifte, waarin 283,91 v.e.’s (€ 12.846,93) zijn opgenomen, is ook voor dit jaar de vereiste aangifte niet gedaan.
4.19 Gelet op het oordeel van het Hof dat het aannemelijk is dat belanghebbende in ieder geval vanaf medio 2009 tot begin maart 2010 relatief en absoluut aanzienlijke hoeveelheden digestaat via het riool heeft afgevoerd, moet belanghebbende zich hiervan bewust zijn geweest. Door deze afvoer van vervuilingseenheden desondanks niet op te nemen in de respectievelijke aangiftes, heeft belanghebbende voor deze jaren opzettelijk niet de vereiste aangiftes gedaan. Aan belanghebbende zijn voor deze jaren dan ook terecht vergrijpboetes opgelegd.
4.20 De boetes zijn door de heffingsambtenaar extra gematigd tot 25%, vanwege de omstandigheid dat belanghebbende bij de lozingen van digestaat waarschijnlijk de financiële gevolgen ervan niet heeft overzien. Gelet op het feit dat de grondslag voor de boete over 2009 met verzwaring en omkering van de bewijslast tot stand is gekomen, zal het Hof de boete voor 2009 verder matigen tot 50%, te weten € 119.908,23. De grondslag voor de boete voor 2010 acht het Hof ook zonder omkering en verzwaring van de bewijslast aannemelijk, zodat het Hof voor een verdere matiging van deze boete geen reden ziet. Het Hof acht de boetes van € 119.908,23 (2009) en € 46.333,96 (2010) passend en geboden.
Hier te raadplegen

Rechtbank Overijssel 10 april 2015, nrs. 14_2717, 14_2718 en 14_2719, zuiveringsheffing Waterschap Vallei en Veluwe, geheven door Tricijn belastingen (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT))

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken naar voren komt dat de aan eiseres opgelegde aanslagen gebaseerd zijn op vermoedens en aannames dat eiseres in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 maart 2010 digestaat geloosd heeft, omdat dit digestaat eerst per 12 maart 2010 per as afgevoerd wordt. De hoeveelheid digestaat die volgens verweerder in de hiervoor genoemde periode geproduceerd is, is door Tauw berekend aan de hand van de input van biomassa en het geproduceerde biogas.
De rechtbank stelt vast dat waterschapsinspecteurs na onderzoek op 8 en 9 maart 2010 op en rond het terrein van eiseres conclusies met betrekking tot illegale lozingen hebben getrokken, terwijl daarvoor geen bewijs aanwezig was. Omdat eiseres het grootste visverwerkende bedrijf op dit industrieterrein is, hebben de inspecteurs geconcludeerd dat het geloosde water wel van eiseres af moet komen, zonder dat (illegale) afvalwaterleidingen zijn aangetroffen die deze conclusies onderbouwen.
De voor 2008 en 2009 opgelegde aanslagen zijn gebaseerd op monstermetingen die in 2010 en 2011 zijn genomen. Zoals ter zitting toegelicht zijn in 2011 nieuwe monsters genomen omdat er onzekerheid bestond over de in 2010 genomen monsters.
Op basis van deze monsters heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres vanaf 2008 (illegaal) digestaat loost op het gemeenteriool.
De rechtbank kan verweerder hier niet in volgen. Niet alleen bestaat er onzekerheid over het proces in de vergistingstanks en de vraag in hoeverre en hoelang het digestaat gerecycled kan worden, nu de verschillende deskundigen blijkens de in deze geschillen uitgebrachte rapportages hier anders over denken, maar verweerder heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat eiseres meer geloosd heeft op het gemeenteriool dan door haar in de aangifte is vermeld.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat volgens het rapport van de StAB in ieder geval tot medio 2009 het digestaat nog recyclebaar was, en dat eiseres zelf eind 2009 is gaan onderzoeken op welke wijze het digestaat afgevoerd kon gaan worden. Daarnaast is van belang dat niet gebleken is dat de aangeboden vuilvracht daadwerkelijk is afgenomen, nu de in 2010 vastgestelde discrepantie onverminderd hoog is gebleven in de daarop volgende jaren, ondanks het feit dat eiseres het digestaat vanaf 12 maart 2010 per as afvoert.
Nu niet vast is komen te staan dat eiseres meer afvalwater geloosd heeft dan door haar is opgegeven, is de rechtbank van oordeel dat de nader aan eiseres opgelegde aanslagen en de vergrijpboetes niet in stand kunnen blijven.
Uit vorenstaande volgt dat de beroepen gegrond zijn en de bestreden uitspraken op bezwaar vernietigd dienen te worden. De rechtbank ziet eveneens aanleiding de aan eiseres opgelegde aanslagen over de jaren 2008 tot en met 2010 te vernietigen, voorzover deze meer bedragen dan welke volgen uit de door eiser gedane aangiften.
Hier te raadplegen
Het door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, nrs. 15/00673, 15/00675 en 16/00676 gegrond verklaard voor zover het ziet op de aanslagen en boetebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2009 en 2010.

Hof Arnhem-Leeuwarden 29 januari 2013, nr. 12-00344, zuiveringsheffing geheven door Tricijn Belastingen

2. Feiten
2.3. In de periode van 12 oktober 2005 tot en met 19 oktober 2005 heeft het Waterschap een afvalwateronderzoek ingesteld bij belanghebbende op het adres van de bedrijfsruimte. Dit onderzoek was erop gericht om de afvalwatercoëfficiënt per m3 ingenomen water vast te stellen. Daarbij zijn door het Waterschap voorts dagelijks de meterstanden inzake het waterverbruik genoteerd. Volgens de gegevens van het Waterschap beliepen de watermeterstanden op die dagen achtereenvolgens: 15.929 m3, 15.938 m3, 15.950 m3, 15.959 m3, 15.967 m3 en 15.974 m3. Deze gegevens zijn door het Waterschap in het dossier van belanghebbende opgenomen.
2.4. Volgens een Periodeafrekening met dagtekening 20 april 2006 van C bedroeg de watermeterstand van de bedrijfsruimte per 31 maart 2006 15.826 m3. Deze stand was gebaseerd op een schatting. C is voor de periode van juni 2005 tot en met 31 december 2005 uitgegaan van een waterverbruik door belanghebbende van 506 m3.
2.5. In augustus 2006 heeft belanghebbende aangifte voor de verontreinigingsheffing bedrijfsruimten van het Waterschap voor het jaar 2005 gedaan. In de aangifte is onder meer vermeld dat 506 m3 water door het bedrijf is ingenomen.
2.6. In de periode 30 oktober 2006 tot en met 3 november 2006 en op 6 november 2006 heeft het Waterschap wederom een controle bij belanghebbende gehouden. In dat kader zijn onder meer de watermeterstanden genoteerd. Die standen bedroegen achtereenvolgens: 17.976 m3, 17.988 m3, 17.995 m3, 18.003 m3, 18.006 m3 en 18.010 m3.
2.7. Met dagtekening 28 juli 2007 heeft het Waterschap de primitieve aanslag verontreinigingsheffing bedrijfsruimten voor het jaar 2005 aan belanghebbende opgelegd. De aanslag beloopt een bedrag van € 3.409,24 en is onder meer gebaseerd op een hoeveelheid ingenomen water van 508 m3.
2.8. In de aangifte verontreinigingsheffing 2006 heeft belanghebbende een hoeveelheid ingenomen water vermeld van 284 m3. Zulks vormde voor het Waterschap aanleiding voor een onderzoek. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek is onder meer gebleken dat de door belanghebbende in 2005 ingenomen hoeveelheid water 1.256 m3 bedroeg.
2.9. Naar aanleiding hiervan heeft de Ambtenaar – namens het Waterschap – de onderhavige navorderingsaanslag aan belanghebbende opgelegd, waarbij is uitgegaan van een hoeveelheid ingenomen water van 1.286 m3. Het daartegen gemaakte bezwaar is door de Ambtenaar ongegrond verklaard.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Ingevolge – het te dezen van toepassing zijnde – artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet) kan indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslag verontreinigingsheffing tot een te laag bedrag is vastgesteld. Niettemin is belanghebbende van mening dat de Ambtenaar niet gerechtigd is na te vorderen, omdat de Ambtenaar niet beschikt over een zogenoemd nieuw feit. De Ambtenaar heeft, aldus belanghebbende, bij het vaststellen van de primitieve aanslag verzuimd de aangifte te vergelijken met de in het dossier van belanghebbende aanwezige gegevens inzake de watermeterstanden.
4.3. In dit verband is het volgende van belang. Een heffingsambtenaar mag bij het vaststellen van een aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien de heffingsambtenaar, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vgl. onder meer HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, LJN BL7165, BNB 2010/155 en HR 16 april 2010, nr. 08/05088, LJN BJ9082, BNB 2010/227). Deze zorgvuldigheid brengt mee dat de heffingsambtenaar de in de aangifte opgenomen posten vergelijkt met de relevante gegevens die in het dossier van de belastingplichtige bij hem aanwezig zijn (vgl. HR 25 juni 1958, nr. 13.596, LJN AY1185, BNB 1958/255).
4.4. De Ambtenaar heeft gesteld dat het navordering rechtvaardigende ‘nieuwe feit’ erin bestaat dat uit het naar aanleiding van de aangifte voor het jaar 2006 ingestelde onderzoek bleek dat de door belanghebbende in 2005 ingenomen hoeveelheid water veel hoger was dan in de aangifte voor dat jaar was verantwoord. Met belanghebbende, en anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is het Hof van oordeel dat dit feit de Ambtenaar bij het vaststellen van de primitieve aanslag bekend was althans in ieder geval redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. In het dossier van belanghebbende waren immers de hiervoor in 2.2 en 2.3 vermelde – door een controleur van het Waterschap gemeten – meterstanden opgenomen. Uit die meterstanden blijkt ontegenzeggelijk dat het door belanghebbende in de aangifte – op basis van een, ook als zodanig in het dossier van belanghebbende aangegeven, schatting – vermelde hoeveelheid ingenomen water van 506 m3 niet juist kon zijn. Door de gegevens in de aangifte van belanghebbende niet te vergelijken met de in het (elektronische) dossier aanwezige gegevens, heeft de Ambtenaar een ambtelijk verzuim begaan dat – in zoverre – aan navordering in de weg staat. De omstandigheid dat, naar de Ambtenaar stelt, de opgenomen meterstanden dienen ter bepaling van de vervuilingswaarde per m3 doet hieraan niet af. De omstandigheid dat de Ambtenaar bij het vaststellen van aanslagen de aangiften in beginsel niet vergelijkt met in de dossiers van belastingplichtigen aanwezige verslagen van ingestelde afvalwateronderzoeken, is een werkwijze die voor zijn risico komt.
4.5. Nu de Ambtenaar zich niet heeft beroepen op kwade trouw aan de zijde van belanghebbende, moet – gelet op het vorenoverwogene – worden geconcludeerd dat hij niet bevoegd is de onderwerpelijke navorderingsaanslag aan belanghebbende op te leggen. Hetgeen de Ambtenaar overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 22 juli 1997, nr. 32.513, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1 Een op de voet van artikel 18, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in een navorderingsaanslag begrepen verhoging heeft het karakter van een wegens het niet betalen van belasting belopen boete, opgelegd in de vorm van het verhogen van de niet betaalde enkelvoudige belasting. Een dergelijke verhoging verschilt naar haar aard zozeer van (enkelvoudige) belasting dat artikel 152a van de Provincie wet (oud), welk artikel de provincie de bevoegdheid geeft nadere regels te stellen omtrent de heffing van provinciale belastingen, geen grondslag biedt voor het stellen van regels omtrent het door belastingplichtigen verschuldigd worden van zo een verhoging. Die grondslag kan ook niet worden gevonden in enige andere wettelijke bepaling en in het bijzonder niet in artikel 87 (oud) van de Provinciewet. Dit artikel geeft wel de provincie de bevoegdheid boeten te stellen op het niet nakomen van fiscale verplichtingen, maar niet de bevoegdheid zelf die boeten op te leggen en in te vorderen door daaraan de vorm te geven van verhoging van niet betaalde enkelvoudige belasting.
3.2. 's Hofs oordeel dat Gedeputeerde Staten niet de bevoegdheid hadden een verhoging toe te passen bij het vaststellen van de navorderingsaanslag, waarin ligt besloten dat artikel 18 van de Verordening zuiveringsheffing provincie Utrecht 1986 onverbindend is voor zover dat artikel inhoudt dat artikel 18, leden 1 en 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is, is der halve juist.
Hier te raadplegen

FORFAIT WOONRUIMTE

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2016, nr. 15/00205, zuiveringsheffing Waterschap Hunze en Aa’s, geheven door Hefpunt

4.4 Het Hof stelt bij de beoordeling van de grieven van belanghebbende voorop dat de innerlijke waarde van de Waterschapswet, en ook van een rechtsgeldig vastgestelde verordening, de rechter niet ter beoordeling staat (artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk). Dat de Waterschapswet en de Verordening ter zake van het afvoeren vanuit een woonruimte niet elk afzonderlijk individu in de heffing betrekken en de omstandigheid dat de Waterschapswet en de Verordening niet voorzien in een verhaalsrecht op zijn medebewoonster, staan het Hof om die reden niet ter beoordeling. Daarnaast kan de rechter een wet in formele zin en ook een verordening niet toetsen aan de Grondwet. Voor zover belanghebbende anders betoogt, faalt zijn grief.
4.5 Voor wat betreft belanghebbendes beroep op artikel 8 en artikel 14 EVRM en artikel 17 BuPo, overweegt het Hof dat belanghebbende, naar hij ter zitting van het Hof heeft verklaard, heeft willen stellen dat zowel de tariefstructuur, waarin aansluiting wordt gezocht bij een aantal vervuilingseenheden afhankelijk van de omstandigheid dat een woonruimte wordt bewoond door één persoon dan wel door een “gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid”, als de omstandigheid dat door de heffingsambtenaar belanghebbende (als oudste bewoner) is aangewezen, als heffingsplichtige ter zake van het hiervoor – onder 2.1 – bedoelde appartement, met de genoemde verdragsbepalingen in strijd zouden komen. Daarbij is voor belanghebbende cruciaal dat wordt aangesloten bij een “gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid”. Nu in de situatie van belanghebbende hij geen andere relatie met zijn medebewoonster heeft dan dat zij samen het hiervoor – onder 2.1 – bedoelde appartement bewonen en hij wordt aangeslagen voor het geheel en de Verordening niet voorziet in een verhaalsrecht op medebewoners, acht hij zijn persoonlijke levenssfeer geschonden.
4.6 De Verordening rept evenwel niet over “gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid”. In de artikelgewijze toelichting op artikel 3, tweede lid, van de Verordening wordt het volgende toegelicht: “Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie de gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden aangewezen .”. Daaruit valt af te leiden dat de enkele omstandigheid dat er meer gebruikers zijn van een woonruimte voldoende is voor de desbetreffende vaststelling van het aantal vervuilingseenheden. De relatie tussen deze gebruikers wordt voor de heffing niet vastgesteld en is daarvoor ook niet relevant. Reeds om die reden, kan van strijd met de genoemde verdragsbepalingen geen sprake zijn. Datzelfde geldt mutatis mutandis ten aanzien van de aanwijzing van de oudste gebruiker als heffingsplichtige. De Verordening geeft daaromtrent evenmin regels.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 7 mei 2015, nrs. 14.00334 en 14.00335, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht

4.3.1. Met de rechtbank acht het Hof het niet onredelijk om aan de omstandigheid dat belanghebbende op haar (primaire) woonadres met tenminste nog één persoon staat ingeschreven, te weten haar zoon, het voor weerlegging vatbare vermoeden te ontlenen dat sprake is van een huishouden van beide personen en dat geen sprake is feitelijk gebruik van de recreatiewoning door één persoon. Dit vermoeden is vatbaar voor tegenbewijs. Daartoe heeft belanghebbende de onder 2.3 aangehaalde verklaring van haar zoon overgelegd. Met deze verklaring is het vermoeden dat belanghebbende en haar zoon een huishouden vormen niet weerlegd en op grond van uitsluitend die verklaring is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk te achten dat de recreatiewoning feitelijk door één persoon wordt gebruikt.
4.3.2. Hieraan doet overigens niet af dat recreatiewoningen doorgaans minder intensief plegen te worden gebruikt dan een hoofdwoning. In het verleden heeft de wetgever op praktische gronden ervoor gekozen om aan het verschil tussen (gebruik van) een hoofdwoning en een recreatiewoning bij de forfaitaire bepaling van de vervuilingswaarde slechts gevolgen te verbinden – zoals (thans) blijkt uit artikel 122h, vijfde lid, Waterschaps-wet – ter zake van recreatiewoningen die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd (verg. Kamerstukken II 1998/99, 26.367, nr. 3, blz. 11).
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 2 oktober 2014, nr. 14/00137, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, geheven door de heffingsambtenaar van gemeente Amsterdam

5.5. De rechtbank begrijpt uit het betoog van eiser dat hij het niet redelijk acht dat de zuiveringsheffing wordt vastgesteld op een vast bedrag en geen rekening wordt gehouden met de mate van watergebruik. De rechtbank overweegt in dit verband dat de Waterschapswet ervan uit gaat dat degenen die afvalwater afvoeren via het riool de kosten van het zuiveren van dit afvalwater betalen. In artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapwet is bepaald dat de vervuilingswaarde van woonruimten niet per individuele woonruimte hoeft te worden bepaald. Dit betekent dat niet is vereist dat voor elke woonruimte het daaruit afgevoerde afvalwater moet worden gemeten, bemonsterd en geanalyseerd. Gelet op het tweede lid van dit artikel kán bij verordening worden bepaald dat de vervuilingswaarde geheel of gedeeltelijk wordt bepaald aan de hand van geleverd drinkwater. In dit geval heeft het Hoogheemraadschap daar echter niet voor gekozen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met het systeem van de Waterschapswet. Om praktische redenen wordt in de Waterschapswet uitgegaan van een vaste gemiddelde vervuilingswaarde per woning. In deze wet is bepaald dat de vervuilingswaarde voor woningen op drie vervuilingseenheden wordt gesteld. Alleen als een woonruimte door één persoon wordt bewoond, wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld. Daar is in het geval van eiser geen sprake van, nu hij en zijn partner beiden in de woning wonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van de Verordening Zuiveringsheffing Amstel, Gooi en Vecht de zuiveringsheffing ten aanzien van eiser terecht vastgesteld op € 162,-.
4 Geschil in hoger beroep
4.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslag waterschapsbelasting 2013 terecht aan belanghebbende is opgelegd.
5.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen.
Hier te raadplegen

TOEREKENBARE KOSTEN/TARIEF

Hof Amsterdam 11 juli 2013, nr. 13-00030, zuiveringsheffing Waterschap Hollandse Delta

Het oordeel van de rechtbank 5.1. Eiser voert kennelijk mede als beroepsgrond aan, dat de in 2.1.3, 2.1.4 – 2.1.6 genoemde verordeningen [Hof: de Verordening Watersysteemheffing, de Verordening Wegenheffing en de Verordening Zuiveringsheffing] in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het verbod op willekeurige belastingheffing.
Bij de beoordeling van de keuzes die het bestuur heeft gemaakt bij de totstandkoming van de verordeningen van een waterschap, stelt de belastingrechter zich afstandelijk op. Voor rechterlijk ingrijpen is eerst plaats als wordt voldaan aan de criteria, inhoudende een zo hoge mate van onzorgvuldigheid dat moet worden gesproken van een onredelijke heffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. De rechtbank is niet gebleken van willekeurige heffingen omdat eiser zijn stellingen niet heeft onderbouwd. Minst genomen mag van eiser verwacht worden dat hij een begin van een technische en financiële onderbouwing overlegt, die aannemelijk maakt dat de kosten stijgen en dalen zonder enige reden. Bij gebreke daarvan komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond.
5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven op het adres [adres] te [Z]. Nu de gemeente [Q] in het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta ligt, is eiser naar het oordeel van de rechtbank terecht als ingezetene van dit gebied aangemerkt. Tevens is niet in geschil dat eiser de eigenaar en de gebruiker van de woning is en daar een éénpersoonshuishouding voert. Eiser is derhalve aan te merken als belastingplichtige als bedoeld in de Verordening Watersysteemheffing, Verordening Wegenheffing en de Verordening Zuiveringsheffing.
De rechtbank is verder gebleken dat de aanslagen zijn opgelegd naar de in de Verordening genoemde bedragen, zodat de aanslagen naar een juist bedrag zijn opgelegd.
Het oordeel van het hof
6.3.2. Belanghebbendes klachten inzake de over het jaar 2009 opgelegde aanslagen komen er – kort samengevat – evenals in eerste aanleg op neer dat het waterschap Hollandse Delta zich met het opleggen van heffingen als de onderhavige op het terrein van de legale diefstal begeeft, dat het water uit de kraan minder kost dan het bedrag aan lasten voor het zuiveren van water en dat het waterschap er een grote puinhoop van heeft gemaakt. De lasten stijgen en dalen volgens belanghebbende zonder aanwijsbare reden; in een aantal jaren zijn de lasten volgens belanghebbende verdrievoudigd.
6.3.3. De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist en concludeert ter zake van deze aanslagen tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
6.3.4. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in de onderdelen 5.1.1 en 5.2.2 van haar uitspraak met betrekking tot de aanslagen in de watersysteemheffing (gebruiker), wegenheffing (gebruiker) en de zuiveringsheffing op goede gronden tot een juist oordeel is gekomen. Het Hof neemt die gronden en dat oordeel over en maakt ze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep en in zijn reactie op het verwijzingsarrest heeft aangevoerd, werpt geen nieuw of ander licht op de zaak.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 15 mei 2013, nr. 11/00326, zuiveringsheffing Waterschap Velt en Vecht, geheven door Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn te Zwolle

3.1 In geschil is of de verhoging van het gezamenlijke bedrag van de zuiveringsheffing en de ingezetenenheffing met € 9 in 2010 en € 11 in 2011 rechtmatig is.
4.3 Met betrekking tot het hoger beroep betreffende de aanslag in de zuiveringsheffing overweegt het Hof als volgt. Niet in geschil is dat belanghebbende in 2011 belastingplichtig was voor de zuiveringsheffing en evenmin dat de Heffingsambtenaar de aanslag in de zuiveringsheffing heeft opgelegd met inachtneming van het tarief dat is opgenomen in artikel 18 van de Verordening op de zuiveringsheffing 2011. In de autonome bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap Velt en Vecht om binnen de grenzen van de wet tot heffing van de zuiveringsheffing te besluiten en daarvan – onder meer – het tarief vast te stellen, mag de rechter niet treden. Daarop geldt een uitzondering in geval komt vast te staan dat het tarief leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij de toekenning aan het waterschap van de bevoegdheid tot het heffen van de zuiveringsheffing kan hebben beoogd. De verhoging van het gezamenlijke bedrag van de zuiveringsheffing en de ingezetenenheffing met € 9 in 2010 en € 11 in 2011, is onvoldoende om enkel op grond daarvan te oordelen dat sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing in de zo-even bedoelde zin. Ook overigens is daarvan niet gebleken.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 1 maart 1995, nr. 28.866, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1. In de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (tekst 1987), hierna: de Wet, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat bij heffingen in de zin van artikel 17, lid 1, van de Wet onder kosten van maatregelen tot het tegengaan of voorkomen van verontreiniging van oppervlaktewateren niet ook kosten begrepen zouden mogen zijn die het bij de heffende instantie berustende beheer en de exploitatie van werken als bedoeld in artikel 1, lid 1, van de Wet raken. Steun voor die stelling kan evenmin worden gevonden in het bepaalde in artikel 23, lid 1, letter a, van de Wet.
Hier te raadplegen

AFHAAKSUBSIDIE

Rechtbank Almelo 21 oktober 2009, nr. 08/772, Waterschap Regge en Dinkel

3.3.2. Onder subsidie verstaat artikel 4:21, eerste lid, van de Awb de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Verweerder, een bestuursorgaan, heeft bedragen toegekend aan eiseres. Het doel hiervan was eiseres te bewegen het door haar geproduceerde afvalwater niet zelf te zuiveren, maar dit door het waterschap te laten doen. Het produceren van afvalwater door eiseres noch het nalaten dit water zelf te zuiveren kan worden gezien als de levering van een goed of dienst aan verweerder. Het waterschap zuivert afvalwater als onderdeel van zijn publieke taak. De toekenning van bedragen aan eiseres voldoet daarom aan de wettelijke omschrijving van subsidie. Zoals hiervoor weergegeven onder 3.2.2. en 3.2.3. heeft verweerder zelf de toegekende bedragen altijd aangeduid als subsidie.
3.3.3. Verweerder heeft ten onrechte aangevoerd dat titel 4.2 van de Awb buiten toepassing blijft, omdat de toekenning van de bedragen een belastingverlaging zou zijn. Artikel 4:21, tweede lid onder a, bepaalt dat titel 4.2. van de Awb niet van toepassing is op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake belastingen. In de jaren 2003 tot en met 2006 is het door verweerder toegekende bedrag verrekend met de (voorlopig) aan eiseres opgelegd aanslag voor de verontreinigingsheffing (vanaf 29 december 2007 zuiveringsheffing geheten). Er is echter geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat hieraan ten grondslag ligt en dat de door eiseres verschuldigde verontreinigingsheffing vermindert. Artikel 122d, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet (Wsw) is niet een dergelijke voorschrift. Dit artikel bepaalt dat de opbrengst van de heffing ook kan worden besteed aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zo veel mogelijk te voorkomen. Daarmee wordt slechts de bestedingsmogelijkheid van de opbrengst van de heffing geregeld en niet de wijze van heffen zelf. Hetzelfde geldt voor gelijkluidende bepalingen in de belastingverordeningen van het waterschap. Daarom is geen sprake van verlaging van de belastingplicht. Voor deze conclusie vindt de rechtbank ook steun in de hiervoor onder 3.2.3. weergegeven feitelijke omstandigheid dat het in 2007 toegekende bedrag niet meer is verrekend met de verontreinigingsheffing. De verrekening die plaatsvond in de jaren 2003 tot en met 2006 was gebaseerd op de geciteerde bepaling uit de gesloten uitvoeringsovereenkomsten en niet op een wettelijk voorschrift.
3.5.1. Aan het besluit omtrent subsidieverstrekking ontbreekt echter een grondslag als bedoeld in artikel 4:23 van de Awb.
3.5.2. Artikel 4:23, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan slechts subsidie verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Een dergelijk wettelijk voorschrift ontbreekt. Het waterschap kent geen specifieke of algemene subsidieverordening.
Verder kan ook hier het aangehaalde artikel 122d, vijfde lid onder b, van de Wsw geen grondslag bieden. De hierin genoemde zuiveringsheffing is een zogeheten bestemmingsheffing. Dit houdt in dat de heffing dient om slechts specifieke kosten te dekken. Artikel 122d, vijfde lid onder b, van de Wsw stelt veilig dat ook voor de kosten van die hier bedoelde subsidies belasting kan worden geheven. In de wetsgeschiedenis bij artikel 122d van de Wsw is dit als volgt tot uitdrukking gebracht:
“Het waterschap besteedt de opbrengsten van de zuiveringsheffing slechts ter bekostiging van zijn zuiveringstaak. Zuiveringskosten zijn al die kosten die samenhangen met uitvoering van de zuiveringstaak (…) Artikel 122d, vijfde lid onder b, bepaalt dat de opbrengst van de heffing ook kan worden gebruikt voor het verstrekken van subsidies …” (Tweede Kamer 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz. 58)
Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevatte tot 29 december 2007 een soortgelijke bepaling voor de verontreinigingsheffing. De wetsgeschiedenis bij de invoering van deze bepaling vermeldt onder andere:
“ Op basis van de voorgestelde wijziging is in de Wvo bepaald dat de subsidie uit de opbrengsten van de verontreinigingsheffing bekostigd kan worden. Er dient hierbij wel te worden bedacht dat het hier een bevoegdheid en geen verplichting van de regionale kwaliteitsbeheerder betreft. Ingevolge artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, kan subsidieverlening zonder afzonderlijke subsidieverordening plaatsvinden.” (Tweede kamer, 1999-2000, 26 637, nr. 7, blz. 9)
Uit de systematiek van de zuiveringsheffing, de plaatsing van het wetsartikel in de wet en de wetsgeschiedenis begrijpt de rechtbank dat artikel 122d, vijfde lid onder b, van de Wsw slechts een machtiging inhoudt om belasting te heffen en dat de wetgever niet heeft beoogd daarmee ook een grondslag te scheppen voor subsidieverlening. Dit laatste blijkt met name uit de laatst geciteerde overweging dat slechts bij uitzondering een subsidieverordening niet nodig is. De rechtbank wijst er ten slotte op dat in artikel 122d, vijfde lid onder b, van de Wsw niet het bestuursorgaan aanwijst dat bevoegd is te besluiten tot subsidieverstrekking. Dit is een essentieel element van een wettelijke regeling voor subsidies.
3.5.3. Volgens artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c, van de Awb is voor subsidieverstrekking geen wettelijk voorschrift vereist indien de begroting de subsidie-ontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt. Ook daarvan is in dit geval geen sprake. Weliswaar vermeldt de beleidsbegroting van het waterschap een post voor deze subsidies. De begroting vermeldt echter niet wie de subsidie-ontvanger is. Dit is een des te groter gebrek, omdat verweerder op de zitting heeft medegedeeld dat meer dan één bedrijf deze subsidie ontvangt.
Hier te raadplegen

BEVOEGDHEID AANSLAGOPLEGGING

Rechtbank Den Haag 5 januari 2015, nr. 14_4447, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Rijnland, geheven door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland

15. Met betrekking tot de bevoegdheid van de directeur van de BSGR heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van het hof Den Haag van 4 september 2013, nummers BK-12/00502 en 12/00503, ECLI:NL:GHDHA:2013:3912, waarin het hof – kort samengevat – heeft geoordeeld dat de directeur van de BSGR bevoegd is tot het heffen van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen. De rechtbank sluit zich, onder verwijzing naar met name rechtsoverweging 7.4 en gelet op de inhoud van het in die rechtsoverweging genoemde, tot de gedingstukken behorende, Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, aan bij de uitspraak van het hof Den Haag. De rechtbank tekent daarbij aan dat de tekst van het oprichtingsdocument van de BSGR is te vinden op internet (www.bsgr.nl/bsgr/fileadmin/documenten/wet- en regelgeving/Besluiten_BSGR/Oprichtingsdocumenten/2009_reglement_BSGR.pdf) en dat de begripsbepaling van de term ‘belasting’, zoals vermeld in artikel 1, onder d, van dat document een kennelijke vergissing bevat, nu daarin een verwijzing staat naar de onder k en v genoemde belastingen in plaats van de onder k en w genoemde belastingen. Dit doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de directeur van de BSGR bevoegd is tot het heffen van de gemeentelijke en waterschapsbelastingen. Gelet op het vorenstaande faalt het standpunt van eiser.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 12 juli 2013, nr. 12-00420, verontreinigingsheffing geheven door Belastingsamenwerking Oost-Brabant (BSOB)

3.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen.
A. Was de Heffingsambtenaar bevoegd het hoger beroep in te stellen?
3.3. Belanghebbende concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de Heffingsambtenaar (van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant) in hoger beroep.
4 De gronden voor de beslissing
Ten aanzien van de geschilpunten
Ad vraag A
4.1. De heffings- en invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant (BSOB) heeft in zijn pleitnota uiteengezet, kort samengevat, dat het Waterschap, als deelnemer aan de BSOB, ervoor mocht kiezen procedures inzake “oude belastingjaren” te laten voeren door de BSOB. Het Hof heeft geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen.
4.2. Blijkens de bijlage 1 bij het pro forma beroepschrift in hoger beroep heeft het Waterschap van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Het dagelijks bestuur van het Waterschap heeft het afdelinghoofd Heffen en Invorderen van de BSOB als onbezoldigd ambtenaar van het Waterschap aangesteld.
4.3. Gelet op het vorenstaande moet vraag A bevestigend worden beantwoord.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 15 mei 2013, nr. 11/00326, zuiveringsheffing Waterschap Velt en Vecht, geheven door Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn te Zwolle

1.8 Op verzoek van het Hof heeft de Heffingsambtenaar na de zitting stukken inzake de gemeenschappelijke regeling ‘Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn’ aan het Hof gezonden. Het Hof heeft deze stukken in afschrift aan belanghebbende gezonden. Partijen hebben schriftelijk ermee ingestemd dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
4.1 Uit de onder 1.8 vermelde stukken blijkt dat het Waterschap Velt en Vecht deelneemt in de gemeenschappelijke regeling ‘Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn’ en dat bij deze regeling een openbaar lichaam is ingesteld, te weten het Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn. De Heffingsambtenaar is aangewezen als ambtenaar, bedoeld in artikel 124, lid 5, aanhef en onderdeel a, van de Waterschapswet voor de uitvoering van (onder meer) de zuiveringsheffing en de ingezetenenheffing. Mitsdien was de Heffingsambtenaar bevoegd de aanslagen op te leggen en uitspraak op het bezwaar van belanghebbende te doen.
Hier te raadplegen

Rechtbank Arnhem 26 januari 2012, nrs. 10/2183, 11/3805 en 11/3806, zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland, geheven door de Belastingsamenwerking Rivierenland (BSR)

4.2 Eiser heeft zich, bij gebrek aan wetenschap, op het standpunt heeft gesteld dat verweerder niet bevoegd was de onderhavige WOZ-beschikking vast te stellen noch de onderhavige aanslagen op te leggen. De in dit verband door eiser betrokken stelling, dat de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna ook: BSR), een krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen in het leven geroepen openbaar lichaam, nimmer in werking is getreden doordat de deelnemende gemeenten, het deelnemende waterschap en de deelnemende gemeenschappelijke regeling Regio Rivierenland de door hen genomen besluiten tot deelname aan BSR niet op de juiste wijze bekend hebben gemaakt, kan evenwel niet slagen. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat alle deelnemende overheden hun besluiten tot deelname op de juiste wijze bekend hebben gemaakt. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van verweerder de in de onderhavige procedure bestreden besluiten te nemen. De beroepen kunnen in zoverre niet slagen.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 6 december 2002, nr. 37.230, zuiveringsheffing Waterschap Vallei & Eem

3.1 (…) Bij gemeenschappelijk besluit van provinciale staten van Utrecht en provinciale staten van Gelderland is met ingang van 1 januari 1997 het waterschap ingesteld. Het gebied van het waterschap is ontstaan door samenvoeging van het gebied van een opgeheven waterschap met gedeelten van het gebied van twee andere waterschappen. In het overgangsrecht is - voorzover hier van belang - bepaald dat met ingang van de datum van samenvoeging de in het waterschap bevoegde bestuursorganen en ambtenaren de bevoegdheden uitoefenen die aan overeenkomstige bestuursorganen en ambtenaren van de provincie Utrecht zijn toegekend en dat met ingang van die datum alle publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van de provincie Utrecht, voor zover die betrekking hebben op dan wel verband houden met de uitoefening van het oppervlaktewaterkwaliteitsbeheer in overgaand gebied, overgaan op het waterschap.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige zuiveringsheffing - die betrekking heeft op feiten die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 1997 - met ingang van die datum strekt ten behoeve van het waterschap. Dit oordeel berust op een juiste uitleg van het besluit en van het overgangsrecht dat is vastgesteld bij het hiervoor in 3.1 vermelde gemeenschappelijke besluit van provinciale staten van Utrecht en provinciale staten van Gelderland. Het wordt door middel II derhalve tevergeefs bestreden.
Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat op grond van artikel 21 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (tekst tot en met 2000) de onderhavige zuiveringsheffing wordt geheven en ingevorderd door het waterschap en dat daarbij de bepalingen omtrent de heffing en invordering van de Waterschapswet van toepassing zijn. Het middel, dat zich voor het overige tegen laatstvermeld oordeel richt, faalt ook in zoverre.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 6 december 2002, nr. 37.230, zuiveringsheffing Waterschap Vallei & Eem

De omstandigheid dat met betrekking tot de onderhavige zuiveringsheffing de bepalingen omtrent de heffing en invordering van de Waterschapswet van toepassing zijn, brengt immers mee dat op grond van artikel 123, aanhef en letter b, van die wet, in de - hier van belang zijnde - sinds 1 januari 1998 geldende tekst, de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap bevoegd is tot het vaststellen van aanslagen. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat niet in geschil is dat het hoofd, dat de aanslag heeft vastgesteld, de als zodanig aangewezen ambtenaar is.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 20 april 2001, nr. 99/2759, zuiveringsheffing Waterschap Vallei & Eem

5.5. Met ingang van 1 januari 1998 bepaalt artikel 123 van de Wschw in verbinding met artikel 11 van de AWR dat de aanslagen worden opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Waar in casu aanvankelijk het dagelijks bestuur van het waterschap in plaats van gedeputeerde staten is aangewezen als de heffingsbevoegde inspecteur en per 1 januari 1998 zowel gedeputeerde staten als het dagelijks bestuur van het waterschap die bevoegdheid krachtens wetswijziging hebben verloren, noopt een met de aan die wetswijziging ten grondslag liggende bedoeling strokende wetstoepassing dat in casu de waterschapsambtenaar de bij de verordening aan het dagelijks bestuur opgedragen bevoegdheid heeft toebedeeld gekregen. Deze uitleg vindt steun in artikel 4 van het hiervoor onder 2.2 aangehaalde gemeenschappelijke besluit, dat bepaalt dat de in het waterschap bevoegde ambtenaren de bevoegdheden met betrekking tot het over te dragen oppervlaktewater-kwaliteits-beheer uitoefenen van de ambtenaren van de provincie Utrecht. Niet in geschil is dat verweerder de als zodanig aangewezen ambtenaar is. Naar het oordeel van het Hof is verweerder derhalve bevoegd deze aanslag op te leggen.
Hier te raadplegen

GELIJKHEIDSBEGINSEL

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 juli 2017, nr. 16_3809, zuiveringsheffing 2012-2015 Waterschap Brabantse Delta, geheven doorBelastingsamenwerking West-Brabant

4.4.1. Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarvoor heeft belanghebbende aangevoerd dat bij de recreatieparken ‘[recreatiepark B]’ en ‘[recreatiepark C]’ de parken – en niet de eigenaren van de woningen op het park – worden aangeslagen voor de zuiveringsheffing. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat geen sprake is van gelijke gevallen; de voorzieningen op de twee andere parken stellen beduidend meer voor dan bij [terrein A].
4.4.2. Mede gelet op het verweer van de heffingsambtenaar zijn er geen aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van begunstigend beleid of oogmerk tot begunstiging bij de heffingsambtenaar.
4.4.3. Beoordeeld dient te worden of de heffingsambtenaar een meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen door een fout gunstiger heeft behandeld dan belanghebbende zelf (de zogenoemde meerderheidsregel). Achtergrond van de meerderheidsregel is de bescherming van belastingplichtigen tegen een willekeurige ongelijke behandeling (vgl. HR 16 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2576). Wat betreft de vergelijkbare gevallen moet sprake zijn van onderling te vergelijken gevallen, dat wil zeggen gevallen die het kenmerk of de kenmerken gemeen hebben ter zake waarvan de fout is gemaakt (vgl. HR 17 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5015, BNB 1992/294).
De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de voormelde achtergrond, (de woning van) belanghebbende voor de toepassing van de meerderheidsregel niet te vergelijken is met (woningen van) eigenaren op de twee andere parken, waar het gaat om de kwestie of sprake is van een recreatieterrein. Beantwoording van de vraag of een park als een recreatieterrein is aan te merken, hangt namelijk af van een waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. En niet in geschil is dat er feitelijke verschillen zijn tussen [terrein A] en de twee andere parken (vgl. aanvulling beroepschrift, punt 5.2.1). Dat volgens belanghebbende deze feitelijke verschillen onvoldoende zijn om te kunnen verklaren dat (de eigenaren bij) de twee andere parken anders worden behandeld dan (de eigenaren bij) [terrein A], kan aan het voorgaande niet afdoen. Immers, ook indien juist zou zijn dat de twee andere parken ten onrechte als recreatieterrein zijn aangemerkt, blijft staan dat er feitelijke verschillen zijn waardoor niet gezegd kan worden dat sprake is van een groep vergelijkbare gevallen. Anders gezegd, ook indien de twee andere parken ten onrechte zouden zijn aangemerkt als recreatieterrein, brengt dat nog niet mee dat de ongelijke behandeling van belanghebbende op willekeur is gebaseerd, aangezien het gaat om een waarderingskwestie en de feiten anders zijn.
Niet uit te sluiten is dat belanghebbende voor de toepassing van de meerderheidsregel wel vergeleken kan worden met (ook) de eigenaren op de twee andere parken, waar het gaat om het criterium ‘voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte’. Belanghebbende heeft in dat kader echter geen stellingen naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat door een fout in de meerderheid van de gevallen de Verordening onjuist is toegepast.
4.4.4. Belanghebbende heeft in zijn pleitnota bij de eerste zitting nog de vraag opgeworpen of de Verordening zuiveringsheffing in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, omdat iemand die op een recreatieterrein woont beter af is dan iemand die niet op een recreatieterrein woont. De rechtbank laat in het midden of dit laatste altijd het geval is. De regeling voor recreatieterreinen is gebaseerd op artikel 122h van de Waterschapswet. De regeling kan daarom gelet op het toetsingsverbod (artikel 120 Grondwet) niet aan de Grondwet worden getoetst. Van schending van het discriminatieverbod in het EVRM of IVBPR is evenmin sprake, nu de keuze voor een regeling voor recreatieterreinen binnen de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid valt.
4.4.5. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt dus.
Hier te raadplegen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 april 2017, nr. 16_3809, zuiveringsheffing 2013-2016 Waterschap Vallei en Veluwe, geheven doorheffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT)

4.11. Voor wat betreft het betoog van eiser dat sprake is van dubbele heffingen, overweegt de rechtbank, in navolging van verweerder, dat naast eiser ook [bungalowpark] zelfstandig heffingsplichtig is. Deze heffingsplicht omvat echter niet de voor woondoeleinden bestemde woonruimten, zoals bijvoorbeeld de woonruimte van eiser, maar de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten en de eventueel andere objecten niet zijnde woonruimten, die tot het recreatieterrein behoren. Dit volgt uit artikel 17 van de Verordening. Hiervoor ontvangt [bungalowpark] zelfstandig aanslagen. De woonruimte van eiser vormt geen onderdeel van de bedrijfsruimte waarvoor [bungalowpark] wordt aangeslagen. Er is derhalve sprake van twee afzonderlijke heffingen. Dat [bungalowpark] de aanslagen (mogelijk) heeft doorberekend aan eiser valt buiten de omvang van dit geding. Indien deze doorberekening te hoog uitvalt, kan eiser zich tot de directie van het [bungalowpark] richten.
4.12. Wegens gebrek aan onderbouwing slaagt het betoog van eiser dat hij recht heeft om op dezelfde manier fiscaal/juridisch behandeld te worden als elke andere ingezetene in de gemeente Elburg niet.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2015, nrs. 12/00609 t/m 12/00613, verontreinigingsheffing rijkswateren, geheven door het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren

4.14 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het hoofd in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld omdat drijvende installaties niet in de heffing worden betrokken terwijl uit het door het hoofd overgelegde rapport van [U] van 3 januari 2013 blijkt dat bij een drijvende installatie grote hoeveelheden metalen vrijkomen. Volgens het hoofd ligt aan het niet in de heffing betrekken ten grondslag de omstandigheid dat drijvende installaties geen vervuiling toevoegen. Nu belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, ligt het op haar weg om aannemelijk te maken dat sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen en dat er sprake is van begunstigend beleid dan wel toepassing van de meerderheidsregel. Daarnaast kunnen belastingplichtigen – onder voorwaarden – in gevallen waarin een gevolgd beleid berust op een onjuiste rechtsopvatting met een beroep op het gelijkheidsbeginsel aanspraak erop maken dat in hun geval dezelfde interpretatie van de wet wordt gevolgd (zie HR 5 februari 1997, nr. 31.312, ECLI:NL:HR:1997:AA3248 en HR 22 januari 2010, nr. 09/01038, ECLI:NL:HR: 2010:BL0088).
Gelijke gevallen
4.15 Ter onderbouwing van haar standpunt dat er sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen voert belanghebbende aan dat landinstallaties en drijvende installaties beide tot doel hebben hetzelfde eindproduct te maken en dat er technisch geen verschillen bestaan tussen landinstallaties en drijvende installaties, met name niet voor wat betreft de toegevoegde vervuiling.
4.16 Het hoofd stelt daartegenover dat drijvende installaties feitelijk niet gelijk zijn aan landinstallaties omdat er minder wordt geloosd, waardoor er minder uitspoeling en minder slijtage optreedt en dat drijvende installaties en landinstallaties verschillende producten maken. Rechtens zijn de gevallen ook niet gelijk omdat voor de stoffen uit de [O] geen aftrekregeling wordt toegepast aangezien er geen sprake is van gebiedseigen stoffen, aldus het hoofd. Belanghebbende betwist dat een drijvende installatie minder loost dan een landinstallatie, aangezien het breken een ‘droog’ proces is en het bovendien voorkomt dat ook een drijvende installatie over een breker beschikt. Verder stelt belanghebbende dat er geen sprake is van elders aangevoerde stoffen omdat het herkomstgebied van deze stoffen ([O]) hetzelfde oppervlaktewater betreft als het oppervlaktewater waar de [Q] deel van uit maakt. In beide gevallen gaat het om oppervlaktewater van het Rijntakkensysteem, aldus belanghebbende.
4.17 Het Hof beantwoordt de vraag of er, bezien vanuit het door het hoofd gevoerde beleid, sprake is van feitelijk gelijke gevallen bevestigend. Gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter plaatse en ter zitting van het Hof op 14 oktober 2014 is aangegeven, staat vast dat er in dit opzicht technisch geen relevante verschillen bestaan. Een drijvende installatie is in dit licht bezien niet anders dan een landinstallatie. Het feit dat een breker op een drijvende installatie soms ontbreekt, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Ten eerste maakt het hoofd bij de toepassing van zijn beleid geen onderscheid tussen drijvende installaties met en zonder een dergelijke breker. Ten tweede blijft de landinstallatie in de heffing betrokken indien de breker zou worden verwijderd, hetgeen, zoals belanghebbende onweersproken heeft gesteld, een technisch zeer eenvoudige ingreep is die het verdere productieproces ongemoeid laat. Het al dan niet aanwezig zijn van een breker speelt derhalve geen enkele rol bij het al dan niet in de heffing betrekken, zodat dit onderscheid niet kan meebrengen dat feitelijk geen sprake meer zou zijn van gelijke gevallen. Verder acht het Hof het niet aannemelijk dat de aanwezigheid van een breker in het onderhavige geval leidt tot een grotere hoeveelheid afvalstoffen die via het proceswater wordt geloosd. Immers, vast staat dat het breken door belanghebbende een droog proces is en dat het proceswater niet in aanraking komt met de breker dan wel met de producten daarvan. Ten slotte acht het Hof de stelling van het hoofd dat bij drijvende installaties het toutvenant altijd uit hetzelfde oppervlaktewater wordt onttrokken als het proceswater niet aannemelijk, zodat ook deze omstandigheid niet maakt dat landinstallaties en drijvende installaties in dit opzicht feitelijk niet gelijke gevallen zijn. Nog daargelaten de vraag of de [Q] een ander oppervlaktewater is dan de [O], heeft belanghebbende gemotiveerd gesteld dat ook bij drijvende installaties het toutvenant in voorkomende gevallen van elders aangevoerd wordt en dat zulks geen gevolgen heeft voor het niet in de heffing betrekken.
4.18 Het Hof beantwoordt ook de vraag of er sprake is van juridisch gelijke gevallen bevestigend. Zoals reeds in 4.13 geoordeeld, is slechts de kwaliteit van het geloosde water van belang voor het antwoord op de vraag of er sprake is van het (in)direct brengen van stoffen in rijkswater als bedoeld in artikel 23, lid 3, van de Wvo. Zowel drijvende installaties als landinstallaties lozen proceswater dat, zoals het Hof onder 4.17 heeft geoordeeld, in een in dit opzicht technisch identiek productieproces wordt gebruikt en derhalve in dezelfde mate van door het productieproces toegevoegde vervuiling zal bevatten.
Begunstigend beleid
4.19 Nu het hoofd is uitgegaan van een onjuist feitelijk uitgangspunt, namelijk dat drijvende installaties, anders dan landinstallaties, geen vervuiling toevoegen, dient dit voor zijn risico te komen. Er is sprake van begunstigend beleid. Het voorgaande brengt ook mee dat er geen sprake is van, zoals het hoofd stelt, beleid dat berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt mitsdien. Het beroep op de meerderheidsregel behoeft geen behandeling meer, evenals het beroep op de aftrekregeling.
Vernietiging of vermindering aanslagen
4.20 Nu het gelijkheidsbeginsel is geschonden, rijst de vraag of hierdoor de aanslagen moeten worden vernietigd of verminderd. Het hoofd betoogt dat het niet juist is om als op het punt van een of meer stoffen het gelijkheidsbeginsel geschonden zou zijn, de aanslag ter zake van alle stoffen te vernietigen.
4.21 Uit het door het hoofd overgelegde rapport van [U] van 3 januari 2013 blijkt dat bij een drijvende installatie grote hoeveelheden metalen vrijkomen. Naar het Hof begrijpt, betoogt het hoofd dat de aanslagen wat betreft de lozing van zuurstofbindende stoffen in stand moeten blijven. Het hoofd voert hiertoe aan dat drijvende installaties, net als landinstallaties, ook zuurstofbindende stoffen emitteren, maar dat dit bij drijvende installaties nooit meer is dan de zuurstofbindende stoffen in het ingenomen water, ongeacht de locatie.
4.22 Het betoog van het hoofd faalt. Het Hof verwijst hiertoe naar de laatste twee volzinnen van rechtsoverweging 4.17.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 20 april 2012, nr. 11-00638, zuiveringsheffing Waterschap Scheldestromen, voorheen Waterschap Zeeuws-Vlaanderen

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaringen van de Heffingsambtenaar tijdens het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:
2.1. Belanghebbende is woonachtig aan A-straat 9 te Y (hierna: het woonhuis). Tegelijkertijd met het woonhuis heeft belanghebbende de bij het woonhuis behorende, losstaande, garage gekocht. De garage heeft een afzonderlijk adres: B-straat 1 te Y. Voor de heffing van de onroerendezaakbelasting wordt het woonhuis samen met de garage als één onroerende zaak aangemerkt. Belanghebbende heeft krachtens eigendom het gebruik van het woonhuis en de garage. Het woonhuis wordt als woning voor belanghebbende en zijn echtgenote gebruikt. De garage wordt door hen als zodanig gebruikt.
2.2. In het verleden zijn het woonhuis en de garage gebouwd door Rijkswaterstaat. Het woonhuis met tuin diende als woning voor de havenmeester. De (huidige) garage diende als werkruimte en garage. Het woonhuis en de garage zijn toentertijd uitgerust met een eigen watermeter. Meer dan 25 jaren geleden zijn het woonhuis en de garage in particuliere handen overgegaan en sindsdien als één object meerdere malen verkocht. De watermeters zijn nog steeds in gebruik en met behulp van die meters wordt de hoeveelheid door het waterbedrijf aangevoerde water gemeten.
2.4 Aan de buren van belanghebbende, die ook over een losstaande garage beschikken, zij het zonder afzonderlijke watermeter, is geen aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd.
4.10. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat aan belanghebbende de aanslag is opgelegd, omdat door de aanwezigheid van de watermeter in de garage sprake zou zijn van een bedrijfsruimte. Hij heeft erop gewezen dat zich in de garage een watermeter bevindt aan de hand waarvan de hoeveelheid aangevoerd water kan worden bepaald. De aanwezigheid van deze watermeter en een eigen afvoer in de garage leidt, volgens de Heffingsambtenaar, er toe dat ten behoeve van de garage en het woonhuis twee (primitieve) aanslagen dienen te worden opgelegd. Ten aanzien van de buren van belanghebbende, die ook over een losstaande garage beschikken, doch zonder watermeter, heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat aan hen geen aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte is opgelegd, niettegenstaande het feit dat ook zij water verbruiken en afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap, omdat in de gevallen dat er geen watermeter is niet kan worden vastgesteld hoeveel water wordt aangevoerd en derhalve ook niet kan worden bepaald hoeveel water wordt afgevoerd. Tot slot heeft de Heffingsambtenaar verklaard dat de door het waterschap gehanteerde systematiek - waarbij heffing bij losstaande garages met een eigen afvoer enkel plaatsvindt indien de hoeveelheid van het aangevoerde water middels een watermeter kan worden gemeten - niet kan worden afgeleid uit de Verordening.
4.11. Tot de stukken van het geding behoort een foto (bijlage C, gevoegd bij de conclusie van repliek in eerste aanleg) waarop zijn afgebeeld de losstaande garages van belanghebbende en die van drie buren.
4.12. Belanghebbende betoogt dat de aan hem oplegde aanslag een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt, omdat zijn situatie gelijk is aan die van zijn buren. Naar het Hof begrijpt, betoogt de Heffingsambtenaar dat de aanwezigheid van de watermeter in de garage van belanghebbende een objectieve en redelijke grond vormt om de garage van belanghebbende, in tegenstelling tot de garages van de buren, als een afzonderlijk geheel en dus als een bedrijfsruimte aan te merken.
4.13. Voor de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel dient op de eerste plaats te worden beoordeeld of feitelijk en rechtens sprake is van gelijke gevallen, een en ander met inachtneming van de van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften. Ingevolge artikel 3 van de Verordening wordt de zuiveringsheffing geheven ter zake van het afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap. Niet in geschil is dat een dergelijk afvoeren zowel vanuit de garage van belanghebbende geschiedt als vanuit de garages van de buren. Zoals ook de Heffingsambtenaar zelf heeft verklaard (zie het vermelde in 4.10) kan uit de Verordening niet worden afgeleid dat een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte ten aanzien van een garage beperkt is tot de gevallen waarbij zich een watermeter, waarop de hoeveelheid aangevoerd water wordt gemeten, in de garage bevindt. Naar het oordeel van het Hof is de situatie van belanghebbende gelijk aan die van de buren, en aan alle andere gevallen waarbij sprake is van een losstaande garage van waaruit ook water wordt afgevoerd op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap, doch in al welke gevallen een watermeter ontbreekt. Er is derhalve sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat aan belanghebbende een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte is opgelegd, terwijl deze achterwege is gebleven bij de buren en bij gevallen die gelijk zijn aan die van de buren.
4.14. Een ongelijke behandeling van gelijke gevallen is geoorloofd indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voorhanden is. De door de Heffingsambtenaar aangevoerde rechtvaardigingsgrond, namelijk dat bij de aanwezigheid van een watermeter, waarop de hoeveelheid aangevoerd water wordt gemeten, de hoeveelheid afgevoerd water kan worden bepaald faalt, omdat het belastbare feit de afvoer van water betreft. In zowel het geval dat een dergelijke watermeter aanwezig is als het geval waarin niet zo'n watermeter aanwezig is, is de hoeveelheid afgevoerd water in wezen onbekend en vormt de (toevallige) omstandigheid dat een watermeter, waarop de hoeveelheid aangevoerd water wordt gemeten, aanwezig is dan ook geen rechtvaardiging om in het eerste geval wel te heffen en in het tweede geval niet.
4.15. Uit het vorenstaande volgt dat de aan belanghebbende opgelegde aanslag vernietigd dient te worden, zoals ook de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld.
Hier te raadplegen

Rechtbank Arnhem 19 april 2012, nrs. 11/3138 en 11/3139, verontreinigingsheffing rijkswateren, geheven door het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren

Eiseres produceert krantenpapier. Aan eiseres is een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo-vergunning) verleend voor lozingen – na zuivering – van afvalwater op de Nederrijn. Eiseres voldoet aan ‘Stand der Techniek’ en de totale afvalwaterlozing beïnvloedt de functies van de Nederrijn niet nadelig. Eiseres loost continu afvalwater.
Eiseres betoogt dat ook zij in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 7.8, eerste lid, letter a, van de Waterwet, omdat bij haar de financiële prikkel tot vermindering van de vervuiling door middel van heffing ontbreekt aangezien de aan haar verleende Wvo-vergunning en de daaraan verbonden voorwaarden reeds leiden tot de maximale reductie van verontreinigd water en dat een eventuele heffing daar niets aan bijdraagt.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een met artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, LJN AV4014, V-N 2003/52.2, HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310 en HR 18 december 2009, nr. 44.021, LJN BC5874, BNB 2010/79).
De rechtbank leidt uit de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis af dat de belangrijkste doelstelling van de verontreinigingsheffing – de vervuiler betaalt – minder opgeld doet bij riooloverstorten omdat deze om doelmatigheidsredenen niet kunnen worden voorkomen en dat overigens niet aan deze doelstelling wordt getornd. Bovendien bestaan er andere instrumenten, zoals een gemeentelijke rioleringsplan, en betreft het niet aanzienlijke en langdurige waterverontreiniging (minder dan één procent).
Vaststaat dat in het onderhavige geval sprake is van een continue lozing door eiseres en niet van een lozing in uitzonderlijke, niet goed beheersbare, situaties. Verder kan eiseres – als vervuiler – de aanvoer van afvalwater beïnvloeden, terwijl dit bij riooloverstorten juist niet het geval is. Naast het aspect van oncontroleerbare regenval is de gemeente niet zelf de vervuiler. Ten slotte merkt de rechtbank op dat het op grond van de artikelen 1.1 en 7.8, eerste lid, letter a, van de Waterwet, moet gaan om de riooloverstorten van stedelijk afvalwater. In de Wet Milieubeheer zijn de volgende definities opgenomen:
‘1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of grondwater is;
(…)
huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden;
(…)
stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater’
Wat betreft het begrip stedelijk afvalwater is in de Waterwet aangesloten bij dit begrip zoals gedefinieerd in de Wet Milieubeheer (Kamerstukken II, 2007/08, nr. 30818, nr. 7, blz. 24). De rechtbank ziet geen reden om, bij gebreke aan aanwijzingen voor het tegendeel, voor de begrippen bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater niet aan te sluiten bij de in de Wet Milieubeheer opgenomen definities van deze begrippen. Aangezien bij eiseres geen sprake is van huishoudelijk afvalwater, is er ook geen sprake van stedelijk afvalwater.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Daardoor kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Hier te raadplegen

Rechtbank Arnhem 19 april 2012, nr. 11/3137, verontreinigingsheffing rijkswateren, geheven door het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren

De aandelen van eiseres zijn in handen van drie nabijgelegen papierfabrieken. Eiseres is opgericht voor het behandelen van afvalwater dat vrijkomt bij de productie van papier. Het afvalwater wordt door eiseres ingenomen en gezuiverd. Daarbij wordt biogas teruggewonnen dat wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit. Het gezuiverde afvalwater is voor 99,8% gereinigd en wordt hierna geloosd, waarbij wordt voldaan aan de lozingsnormen van Rijkswaterstaat.
Eiseres betoogt dat ook zij in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 7.6, vierde lid, van de Waterwet, omdat sprake is van hergebruik van water, het op dat vlak samenwerken van partijen (de drie papierfabrieken) en het toepassen van innovatieve technieken.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een met artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, LJN AV4014, V-N 2003/52.2, HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310 en HR 18 december 2009, nr. 44.021, LJN BC5874, BNB 2010/79).
De rechtbank leidt uit de tekst van artikel 7.6, vierde lid, van de Waterwet en de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis af dat met de vrijstelling wordt beoogd innovatieve samenwerkingsprojecten tussen lokale overheden en bedrijven te stimuleren, waarbij de bedrijven van een waterschap gezuiverd afvalwater afnemen voor hergebruik en dit na het hergebruik weer – ten minste in gelijke mate gezuiverd – lozen.
Vaststaat dat in het onderhavige geval sprake is van een samenwerking tussen bedrijven en niet van een samenwerking tussen lokale overheden en bedrijven. Voorts dient het te gaan om de afname van gezuiverd afvalwater van een waterschap voor hergebruik. In casu gaat het om de afname door eiseres van ongezuiverd afvalwater dat niet afkomstig is van een waterschap. Ten slotte dient het water te worden hergebruikt. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat na de reiniging het water wordt geloosd; het wordt derhalve niet door de papierfabrieken opnieuw en derhalve hergebruikt. Dat thans wel plannen hiertoe bestaan, maakt voor het onderhavige jaar niet uit.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Daardoor kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Hier te raadplegen

Rechtbank Arnhem 19 april 2012, nr. 11/3054, verontreinigingsheffing rijkswateren, geheven door het Bureau Verontreinigingsheffing Rijkswateren

Eiseres is beheerder van het rioleringsstelsel gelegen op het Industrieterrein [F] in de gemeente Harderwijk. Er is sprake van een zogenaamd duurzaam verbeterd gescheiden rioleringsstelsel, waarin het afvloeiende hemelwater en het vuilwater apart worden ingezameld en getransporteerd. Het vuilwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie [G]. Van het hemelwater worden de eerste vervuilingen afgevoerd via het vuilwaterstelsel. Het resterende hemelwater wordt (ongeveer 33 maal per jaar) rechtstreeks geloosd op een rijkswater.
4.7. De rechtbank leidt uit de hiervoor vermelde wetshistorie af dat de wetgever met de vrijstelling slechts de heffing ten aanzien van riooloverstorten voor ogen heeft gehad. Uit de wetshistorie blijkt dat de belangrijkste doelstelling van de verontreinigingsheffing is invulling te geven aan het principe dat de vervuiler betaalt en dat van die (dreigende) betaling een prikkel uitgaat om de verontreiniging te verminderen. In het amendement Van der Staaij is aangegeven dat die veronderstelde prikkel bij bestaande riooloverstorten minder werkt omdat het buitengewoon kostbaar is de vuiluitworp van een overstort te beperken met zuiveringtechnische maatregelen. Dat kan alleen met fundamentele aanpassingen van de riolering, zoals de afkoppeling van regenwater. Bovendien bestaan er andere instrumenten, zoals een gemeentelijk rioleringsplan, om de mate van vervuiling terug te dringen en betreft het niet aanzienlijke en langdurige waterverontreiniging (minder dan één procent). Om deze reden – en ter bevordering van het verminderen van administratieve lasten – werd voorgesteld de vrijstelling voor riooloverstorten in te voeren.
4.8. Voor een verdergaande vrijstelling biedt de wetshistorie geen aanknopingspunten. De wetgever heeft geen algehele vrijstelling voor lozingen door gemeenten of voor lozingen door middel van een hemelwaterriool willen invoeren. Zoals hiervoor in onderdeel 4.2 is opgemerkt, heeft de wetgever als uitgangspunt beoogd de belastingplicht van gemeenten te doen uitstrekken tot lozingen door middel van alle door een gemeente beheerde voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater.
4.9. Eiseres heeft nog betoogd dat het buitengewoon onredelijk is dat overstortlozingen van verontreinigd stedelijk afvalwater worden vrijgesteld, terwijl overstortlozingen van relatief schoon hemelwater - na gedane kostbare investeringen - wel worden belast. Die grief faalt. Het staat de rechtbank op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij de redelijkheid of billijkheid van een wettelijke regeling te toetsen. Dat eiseres door middel van een bestuursovereenkomst samen met andere overheidsorganen er in is geslaagd vervuiling door vuilwateroverstort aanzienlijk terug te dringen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding een schending van het in de artikelen 14 van het EVRM of artikel 26 van het IVBPR opgenomen verbod van ongelijke behandeling te constateren.
Hier te raadplegen

VERTROUWENSBEGINSEL

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 februari 2017, nr. 16_1845, zuiveringsheffing Waterschap Brabantse Delta, geheven door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant

2.13. Namens belanghebbende is nog aangevoerd dat een medewerker van belanghebbende in verband met de aangifte telefonisch contact heeft opgenomen met de heffingsambtenaar en dat de heffingsambtenaar toen zelf heeft geadviseerd om in het aangifteprogramma te kiezen voor de bedrijfscategorie ‘groentewasserij’. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat er geen zicht is op de inhoud van het gesprek nu er geen gegevens van het gesprek zijn vastgelegd. De rechtbank begrijpt hieruit dat de heffingsambtenaar betwist dat de inhoud van het telefoongesprek dusdanig was dat belanghebbende hieruit het vertrouwen mocht ontlenen dat belanghebbende ingedeeld zou worden in de categorie ‘groentewasserij’ met zeefvoorziening. Gelet op de betwisting door de heffingsambtenaar rust op belanghebbende de last bewijs bij te brengen dat sprake is van een afspraak, toezegging of anderszins in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, met de enkele stelling dat dienaangaande een telefoongesprek heeft plaatsgevonden, niet aan haar bewijslast voldaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt derhalve door de rechtbank verworpen.
Hier te raadplegen

Rechtbank Oost-Brabant 30 augustus 2016, nr. 15/2973, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in beginsel alle recreatiewoningen, gelegen op het recreatieterrein, op de voet van artikel 16, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap De Dommel 2014 (hierna: de Verordening) gezamenlijk in de aanslag van het recreatieterrein betrokken dienen te worden. Omdat in het verleden voor een aantal recreatiewoningen in particulier eigendom evenwel afzonderlijke aanslagen aan de eigenaren zijn opgelegd, heeft verweerder de betreffende recreatiewoningen op grond van het vertrouwensbeginsel ook voor het jaar 2015 buiten de aanslag van eiseres gelaten door ter zake een aftrek voor watergebruik toe te passen.
9. Het door verweerder in acht te nemen vertrouwensbeginsel noodzaakt ten slotte niet tot een verdergaande handelwijze in strijd met de wettelijke bepalingen dan in het verleden is geschied. De beroepsgrond dat verweerder, naast de recreatiewoningen waarvoor in het verleden reeds een aftrek is toegepast, ook voor de andere recreatiewoningen in particulier eigendom een aftrek dient toe te passen, slaagt derhalve niet.
Hier te raadplegen

Hof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2013, nrs. 12/00354 en 12/00355, zuiveringsheffing Waterschap Zuiderzeeland, geheven door Tricijn belastingen te Zwolle (thans Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn)

4.1 Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende aan de inhoud van de brief van 26 augustus 2009 het in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat de aan haar op te leggen aanslagen in de zuiveringsheffing voor de onderhavige jaren zouden worden berekend met toepassing van waterklasse 10, moet worden vooropgesteld dat het gaat om alle omstandigheden die zich voordoen in de verhouding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar. Beslissend is of bij belanghebbende redelijkerwijs de - geobjectiveerde - indruk heeft kunnen ontstaan dat de heffingsambtenaar weloverwogen het standpunt heeft ingenomen dat de vaststelling van de aanslagen over de onderhavige jaren zou geschieden met toepassing van waterklasse 10 en niet met toepassing van de - in zijn ogen waarschijnlijk juiste - waterklasse 11. Niet wat de heffingsambtenaar bij het schrijven van zijn brief voor ogen stond moet als uitgangspunt worden genomen, maar hetgeen belanghebbende redelijkerwijs mocht opmaken uit het in die brief gestelde. De - strengere - eis die de Rechtbank in haar uitspraak heeft geformuleerd, dat een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts kan slagen indien jegens belanghebbende een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan die bij haar gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen heeft gewekt, kan uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in dezen, niet worden afgeleid.
4.2 Uit de stukken van het geding en hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd komt naar voren dat al zeer geruime tijd verschil van mening bestond tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar over de wijze van meten, bemonsteren en analyseren van het afvalwater van belanghebbende (en van andere visfileerbedrijven). De heffingsambtenaar heeft verklaard dat na overleg is besloten tot het - op zijn kosten - plaatsen van een zogenoemde Bunschotenput om aan die al jaren lopende discussie een einde te maken. Met behulp van die put kan een onderzoeksopstelling worden gemaakt die volumeproportioneel onderzoek van het afvalwater mogelijk maakt. De put is eind 2009 geplaatst.
4.3 Het meningsverschil tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar had mede betrekking op de vraag of het door de heffingsambtenaar uitgevoerde onderzoek in dit geval representatief was omdat de resultaten van het afvalwateronderzoek naar de mening van belanghebbende worden beïnvloed door de verwerking van kuitzieke vis.
4.4 De aan belanghebbende begin 2007 opgelegde voorlopige aanslag over dat jaar is niet gevolgd door een nadere voorlopige aanslag, ook niet nadat de resultaten van het in 2007 uitgevoerde afvalwateronderzoek bekend waren geworden en evenmin nadat belanghebbende voor het jaar 2007 aangifte had gedaan. Ook de resultaten van de in 2008 uitgevoerde onderzoeken waren voor de heffingsambtenaar geen aanleiding met enige voortvarendheid een nadere voorlopige aanslag of een definitieve aanslag op te leggen. De definitieve aanslag is eerst opgelegd met dagtekening 14 december 2010. Dit lange tijdsverloop heeft naar het oordeel van het Hof bij belanghebbende kunnen bijdragen aan de gedachte dat de aanslag zou worden opgelegd conform de door haar gedane aangifte die in overeenstemming was met de aangiften (en daaruit voortvloeiende aanslagen) uit het verleden. Eenzelfde conclusie kan worden getrokken uit de gang van zaken met betrekking tot 2008. Dat de termijn waarbinnen een definitieve aanslag moet worden opgelegd drie jaar bedraagt, doet aan deze conclusie niet af.
4.5 In het licht van deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbende uit de brief van de heffingsambtenaar van 26 augustus 2009 redelijkerwijze heeft kunnen en mogen begrijpen dat haar voor de onderhavige jaren aanslagen in de zuiveringsheffing zouden worden opgelegd, berekend met toepassing van waterklasse 10. Deze conclusie steunt met name op het voorbehoud dat de heffingsambtenaar in zijn brief maakt (“vermoedelijk 11”) en het gebruik in de desbetreffende zin van de tegenstelling “echter” waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook de heffingsambtenaar van mening was dat de gebruikte onderzoeksmethode in dit geval niet de juiste is geweest. De heffingsambtenaar heeft ook erkend dat de woordkeus in de genoemde brief niet gelukkig is. Zijn stellige mening dat ook de toepassing van de juiste onderzoeksmethode niet tot een andere uitkomst zou leiden, doet daaraan niet af.
slotsom
4.6 Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De aanslagen moeten conform het standpunt van belanghebbende worden verminderd.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 12 juli 2013, nr. 12-00420, verontreinigingsheffing geheven door Belastingsamenwerking Oost-Brabant (BSOB)

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daar – zakelijk weergegeven – het volgende aan toegevoegd/benadrukt.
Belanghebbende
Wat de clausule onder 3 in artikel 4 van de IBA-overeenkomst betreft, met een ambtenaar van de gemeente is die clausule besproken. Deze heeft me gezegd dat die clausule een standaardclausule betreft, dat die clausule in alle overeenkomsten staat, dat die clausule echter niet ziet op de situatie als die van mij en dat die situatie alleen ziet op situaties waarin rechtstreeks op het oppervlakte wordt geloosd.
De Heffingambtenaar
Zelfs als de gemeente belanghebbende op het verkeerde been heeft gezet, was het Waterschap geen partij bij de IBA overeenkomst. Het Waterschap heeft ongetwijfeld bij het aangaan van de samenwerking de overeenkomst tussen belanghebbende en de gemeente ingezien. De tekst van die overeenkomst staat gewoon heffing toe; het Waterschap was niet bekend met de door belanghebbende gestelde mondelinge uitlatingen van de ambtenaar van de gemeente.
4.15. Met hetgeen belanghebbende ter zitting heeft aangevoerd omtrent hetgeen een ambtenaar van de gemeente hem heeft medegedeeld c.q. toegezegd inzake de onder 3 in artikel 4 van de IBA overeenkomst genoemde clausule, heeft belanghebbende een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De uitlatingen van de ambtenaar kunnen het Waterschap evenwel niet worden tegengeworpen. Het Waterschap is immers geen partij bij de IBA overeenkomst. Verder heeft de Heffingsambtenaar ter zitting onweersproken verklaard dat het Waterschap niet op de hoogte was van de uitlatingen/toezeggingen van de ambtenaar van de gemeente zoals door belanghebbende gesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel baat belanghebbende niet.
Hier te raadplegen

Hof Leeuwarden 11 december 2012, nr. 11/00283, verontreinigingsheffing Wetterskip Fryslân geheven door Hefpunt

2.8 Tot de stukken van het geding behoort een verslag van een door ADIS op 13 juli 2006 verricht bedrijfsbezoek bij belanghebbende. In het daarvan opgemaakte verslag is, voor zover relevant, het volgende vermeld:
“(…) Gesproken met dhr. F. De insteek van het bezoek was dat het een droog bedrijf zou zijn dat al het afvalwater per as af zou voeren. Dhr. F vertelde dat het geconcentreerde afvalwater per as wordt afgevoerd maar wist niet precies waar naartoe. Wel wist hij dat er een bedrijf in L is die het afvalwater ontvangt. Hij vertelde dat we de details moeten opvragen bij A. Dit met name over de transportbonnen. Volgens dhr. F gaat het afvalwater in ieder geval niet meer naar G in M. Toen dit is gestopt is het water naar N afgevoerd en op dit moment is het een combinatie van N en het nieuwe bedrijf in L. Naar ons idee werd hier een beetje geheimzinnig over gedaan. De krentenwasserij was in bedrijf evenals de krattenwasserij. Buiten bevindt zich een lozingpunt waaruit wel degelijk een visueel vervuilde afvalwaterstroom loosde. Van dit water is een steekmonster genomen en van de situatie zijn foto’s gemaakt. Buiten op het terrein staan kratten waarin nog een restproduct aan krenten en rozijnen zaten. Hierover is een opmerking gemaakt dat bij regenval lekwater wegstroomt op de gemeentelijke riolering. In het midden stonden in ieder geval grijze kratten die dicht waren en waarin het lekwater werd opgevangen. Geadviseerd is om deze kratten onderop te zetten. Ook is het bij de krattenwasserij mogelijk dat er spoelwater en krenten buiten het pand wegloopt. Dit is onder de aandacht gebracht en geadviseerd om een plaat te plaatsen zodat restproducten niet meer naar buiten kunnen wegstromen. (…)”
2.9 De Heffingsambtenaar heeft in de periode gelegen tussen 19 mei 2008 tot en met 9 juni 2008 vastgesteld dat belanghebbende procesafvalwater met een hoge vervuilingswaarde heeft geloosd op het gemeentelijk riool; belanghebbende betwist dit niet en betwist evenmin in de onderhavige jaren enig procesafvalwater te hebben geloosd.
4.6 Belanghebbende heeft betoogd dat door het uitblijven van aangifteformulieren verontreinigingsheffingen het onder 2.8 genoemde bedrijfsonderzoek de Heffingsambtenaar bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat geen naheffingsaanslagen verontreinigingsheffing zou worden opgelegd voor de lozing van procesafvalwater. Volgens vaste jurisprudentie levert het uitblijven van een aangifteformulier geen te rechtvaardigen vertrouwen op dat geen aangifte zou behoeven te worden gedaan noch dat geen verontreinigingsheffing zou worden nageheven. Ook faalt belanghebbendes betoog dat zij na het onder 2.8 genoemde bedrijfsbezoek er op mocht vertrouwen dat de Heffingsambtenaar van mening was dat zij geen procesafvalwater loosde en derhalve terzake geen verontreinigingsheffing verschuldigd was. Uit de tekst van het onder 2.8 aangehaalde verslag van het bedrijfsonderzoek volgt dit niet en ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Heffingsambtenaar een dergelijk standpunt had ingenomen. In het verslag is immers namens belanghebbende opgemerkt dat afvalwater per as wordt afgevoerd, hetgeen later onjuiste althans onvolledige informatie bleek. Aangezien de bedrijfsbezoekers eveneens hadden geconstateerd dat er, anders dan verklaard, wel degelijk een visueel vervuilde afvalstroom zichtbaar was, hebben de bezoekers hiervan een monster genomen en foto’s gemaakt. Daarbij is over bij regenval wegstromend lekwater geadviseerd maatregelen te nemen zodat restproducten niet meer weg kunnen stromen. Bij belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet de indruk kunnen bestaan dat de Heffingsambtenaar het standpunt had ingenomen dat belanghebbende geen procesafvalwater loosde en derhalve geen verontreinigingsheffing verschuldigd was.
4.7 Daarenboven geldt dat belanghebbende in het aangifteformulier over het jaar 2001 heeft aangegeven dat helemaal geen procesafvalwater werd geloosd. Over het jaar 2005 gaf belanghebbende aan procesafvalwater af te voeren naar derden. Voor zover belanghebbende zich beroept op een rechtens te honoreren vertrouwen dat de Heffingsambtenaar de aangifte over het jaar 2005 ook in de latere jaren heeft gevolgd, slaagt dit niet. Het enkele volgen van een aangifte leidt niet tot het rechtens te honoreren vertrouwen dat een op gelijke wijze gedane aangifte over een volgend jaar ook zou moeten worden gevolgd. Gesteld noch gebleken is dat jegens belanghebbende de indruk is gewekt dat de Heffingsambtenaar ter zake hiervan bewust het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende als een nullozer moet worden aangemerkt.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 11 oktober 2012, nr. 11-00966, verontreinigingsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, geheven door de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep

2. Feiten
2.2. (...) Belanghebbende heeft een verzoek om kwijtschelding van de aanslagen ingediend. Dit is afgewezen.
2.5. Tot de stukken behoort een ‘Aanslag waterschapsbelastingen Gebruikers’ voor het jaar 2010. Hierop is – voor zover van belang – vermeld:
“ZUIVERINGSHEFFING
(…) Totaal
(…) 52,55
(…)
U komt in aanmerking voor kwijtschelding van
deze aanslag. U hoeft deze aanslag dan ook Totaal te betalen
niet te betalen. 0,00”
Naar het Hof begrijpt, is tussen partijen in geschil of
- h. de kwijtschelding van de aanslag waterschapsbelasting gebruikers voor het jaar 2010 tot gevolg heeft dat de kosten van betekening ten onrechte in rekening zijn gebracht;
6.5. Met betrekking tot het geschilpunt van onderdeel 4, letter h, verstaat het Hof belanghebbendes standpunt aldus dat belanghebbende aan de kwijtschelding voor het jaar 2010 het vertrouwen ontleent dat de aanslag voor het onderhavige jaar ook dient te worden kwijtgescholden en dat daarom de kosten van betekening ten onrechte in rekening zouden zijn gebracht.
Ter zitting heeft de ambtenaar met betrekking tot deze kwijtschelding verklaard dat deze op een vergissing berustte, dat belanghebbende geen verzoek om kwijtschelding had ingediend en dat tegelijk met het printen van het aanslagbiljet voor 2010 de kwijtschelding daarop werd vermeld.
Het Hof acht hetgeen de ambtenaar naar voren heeft gebracht, aannemelijk. Het Hof is daarom van oordeel dat belanghebbende aan deze kwijtschelding niet het door hem gestelde vertrouwen kan hebben ontleend.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 1 juni 2012, nr. 11-00441, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

4.12. Voor de beantwoording van vraag III is volgens vaste jurisprudentie doorslaggevend of belanghebbende op grond van een handelen of een nalaten van de Heffingsambtenaar redelijkerwijs de indruk heeft kunnen krijgen, dat de Heffingsambtenaar weloverwogen en welbewust een standpunt heeft ingenomen. Anders dan de Rechtbank heeft overwogen is niet alleen sprake van opgewekt vertrouwen als de Heffingsambtenaar ondubbelzinnige uitlatingen heeft gedaan. Juist ook als de Heffingsambtenaar dubbelzinnig is geweest in zijn handelen of nalaten kan de situatie zich voordoen dat belanghebbende redelijkerwijs de indruk heeft kunnen krijgen dat de Heffingsambtenaar weloverwogen en welbewust een (bepaald) standpunt heeft ingenomen. Het oordeel van de Rechtbank, dat alleen sprake kan zijn van opgewekt vertrouwen bij ondubbelzinnige uitlatingen (toezeggingen) is derhalve onjuist.
4.13. Na een telefonisch contact van de Heffingsambtenaar met belanghebbende op 15 februari 2010 heeft de Heffingsambtenaar de onder 2.7 vermelde brief aan belanghebbende gestuurd. In deze brief is onder meer de volgende passage opgenomen:
'Na een, nog in overleg te bepalen, representatieve periode zal ik vragen of een van de toezichthouders van het waterschap een controlebezoek zal brengen aan de A-club en tevens de meterstand zal opnemen.'
4.14. Zonder overleg met belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar op 17 juni 2010 de stand van de tussenmeter opgenomen. Op grond van het opnemen van de tussenmeter op 17 juni 2010 door de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende - in het licht van de onder 2.7 vermelde brief - naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs de indruk kunnen krijgen, dat de Heffingsambtenaar weloverwogen en welbewust het standpunt innam dat een meting van 1 maart 2010 tot en met 17 juni 2010 een voldoende representatieve periode omvatte. Hieraan doet niet af, dat de Heffingsambtenaar nadien in de uitspraak op bezwaar heeft medegedeeld van oordeel te zijn dat de meting over vorengenoemde periode niet representatief zou zijn, omdat hij daarmee het door hem reeds opgewekte vertrouwen niet (met terugwerkende kracht) ongedaan kan maken.
4.15. Hier komt bij dat het Hof de Heffingsambtenaar tijdens het onderzoek ter zitting heeft gevraagd waarom de tussenmeter op 17 juni 2010 is opgenomen. Hierop heeft hij geantwoord, dat hij aanneemt dat het waterschap een referentieperiode van 1 maart 2010 tot en met 17 juni 2010 wel redelijk vond, alhoewel de Heffingsambtenaar ook niet uitsloot dat de meting plaatsvond in het kader van een reguliere ronde.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 10 januari 1996, nr. 30.585, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenaar of althans zakelijk gerechtigde van het pand a-straat 1 te Q. Het pand bevat zes kamers, die afzonderlijk worden verhuurd. In 1989 werd het pand bewoond door zes personen. De bewoners van het pand hebben het gezamenlijke gebruik van drie keukens, twee douches en twee toiletten. Aan belanghebbende is voor dit pand op 28 januari 1992 een aangiftebiljet zuiveringsheffing 1989 toegezonden met als uiterste inzenddatum 29 februari 1992. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat - nu de aanslag kennelijk is gebaseerd op jurisprudentie die reeds in 1984 bekend was en belanghebbende al vanaf 1983 eigenaar/verhuurder is terwijl sedertdien in de wijze van verhuur geen verandering is gekomen - het gedurende ongeveer 6½ jaar niet opleggen van een aanslag zuiveringsheffing door de Provincie bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat deze gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling en voorts dat belanghebbende daaruit het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen putten dat haar ook voor het jaar 1989 geen aanslag zou worden opgelegd.
3.3. Eerstvermeld oordeel wordt door de Provincie terecht als onjuist bestreden: het gedurende een aantal jaren achterwege laten van een aanslag zuiveringsheffing vormt niet een gedraging van de Provincie die de indruk heeft kunnen wekken dat die gedragslijn berustte op een bewuste standpuntbepaling, ook niet indien de in de onderdelen 5.1 en 5.3 van de uitspraak van het Hof vermelde omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen.
Hier te raadplegen

BETALINGSTERMIJNEN

Hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2014, nr. 13/01237, zuiveringsheffing Waterschap Noorderzijlvest, geheven door Hefpunt

4.2 Belanghebbendes stellingen omtrent de ongelijkheid in behandeling bij de betaling van de op de aanslag verschuldigde belasting betreffen niet de heffing, maar de invordering. De beslechting van geschillen inzake invordering is - uitzonderingen daargelaten, die hier niet aan de orde zijn - niet aan de belastingrechter, maar aan de burgerlijke rechter opgedragen. Eventuele feilen aan de wijze van invordering kunnen voor de heffing niet afdoen aan de juistheid van de aanslag. Belanghebbendes standpunt stuit hierop af.
Hier te raadplegen
Het door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is bij Hoge Raad 27 februari 2015, nr. 14/05056 niet-ontvankelijk verklaard onder toepassing van art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie.

AANMANINGSKOSTEN

Rechtbank Overijssel 4 april 2017, nr. 16/2392, zuiveringsheffing geheven door heffingsambtenaar van het gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT)

3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij eerst door de aanmaning van 15 september 2016 van de aanslag op de hoogte is geraakt. Deze is gelijk door hem voldaan, behoudens de aanmaningskosten. Eiser heeft hierbij gesteld dat hij de aanslag nooit heeft ontvangen omdat hij er bij MijnOverheid.nl nadrukkelijk voor heeft gekozen om de berichtenbox niet te activeren. Nu er direct een aanmaning is gezonden heeft eiser niet meer kunnen verzoeken om een betalingsregeling. Het is volgens eiser ook niet toegestaan om aanmaningskosten in rekening te brengen zonder voorafgaande waarschuwingen.

5. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het bestreden besluit onvoldoende worden opgemaakt dat eiser bij de aanmelding van MijnOvereid.nl akkoord is gegaan met het ontvangen van digitale post van de GBLT. Uit de toelichting van verweerder in het verweerschrift blijkt immers dat sinds november 2015 bij aanmelding/registratie in MijnOverheid expliciet moet worden aangevinkt met welke organisaties men digitaal wil corresponderen (de opt-in regeling). GBLT is pas sinds 15 november 2015 zichtbaar in MijnOverheid als bestuursorgaan waarmee via de elektronische weg kan worden gecorrespondeerd. Bij het inloggen na 15 november 2015 op MijnOverheid wordt een lijst getoond met nieuwe organisaties waarmee via de elektronische weg kan worden gecorrespondeerd. Daarbij staan alle organisaties aangevinkt en die moet men accorderen als organisaties waarvan men post in de Berichtenbox wil ontvangen en dus niet meer op papier. Indien dat geaccordeerd wordt, kan er verder geklikt worden naar MijnOverheid. Eiser heeft MijnOverheid geactiveerd op 15 november 2015, maar verweerder heeft met de motivering in het bestreden besluit niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij het inloggen GBLT aangevinkt heeft gelaten en heeft geaccordeerd om van het GBLT digitale post te ontvangen.
Hier te raadplegen

INVORDERINGSRENTE

Hof Amsterdam 21 april 2016, nr. 15/00207, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, geheven door Waternet

5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op grond van de, per 1 januari 2013 in werking getreden, wettelijke regeling van de invorderingsrente opgenomen in de artikelen 28a en 28b van de Invorderingswet, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van invorderingsrente. De heffingsambtenaar heeft immers binnen 6 weken na de vermindering van de aanslagen de verschuldigde bedragen aan belanghebbende uitbetaald (artikel 28a), terwijl geen sprake is van een afgewezen verzoek om uitstel van betaling (artikel 28b) noch van een in strijd met het Unierecht geheven belasting (artikel 28c).
5.2. Belanghebbende bepleit echter toepassing van de voordien bestaande regeling, volgens welke zij wél recht zou hebben op vergoeding van invorderingsrente. De hoofdregel in het fiscale recht is, aldus belanghebbende, dat nieuwe regels meteen in werking treden; dat betekent, zo vervolgt zij, dat die regels gelden voor de toekomst, voor nieuwe gevallen. Zij gelden niet voor reeds bestaande situaties. Door de nieuwe regels toe te passen op oude aanslagen, zoals in het onderhavige geval, vindt de facto terugwerkende kracht plaats, aldus belanghebbende. Deze terugwerkende kracht ervaart zij als onrechtvaardig. Zij voert aan, dat zij destijds, ten tijde van het opleggen van de aanslagen, geen rekening kon houden met de omstandigheid dat de wet gewijzigd zou worden. Als zij dat had geweten, zou zij om uitstel van betaling hebben verzocht.
5.4. Artikel 123, lid 2, van de Waterschapswet bepaalt, voor zover hier van belang, dat de invordering van waterschapsbelastingen geschiedt met toepassing van de Invorderingswet 1990 als waren die belastingen rijksbelastingen. Daarmee is ook (eventueel) overgangsrecht dat betrekking heeft op de Invorderingswet van toepassing op de invordering van aanslagen waterschapsbelasting. In het onderhavige geval gaat het om het overgangsrecht betrekking hebbende op de invorderingsrente. Het Belastingplan 2012 voorziet in artikel XXXIV in dergelijk overgangsrecht. Het bepaalt, voor zover hier van belang:
2. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen (…) blij(ft …) hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 (http://oud-wetten.overheid.nl/BWBR0004770) en de op dat hoofdstuk berustende bepalingen, zoals (…) dat hoofdstuk (…) luidde(…) op 31 december 2012, van toepassing (…).
5.5. Volgens lid 2 van de geciteerde bepaling blijft de oude regeling van (onder meer) de invorderingsrente van toepassing op de in het eerste lid vermelde aanslagen. Daartoe behoren niet aanslagen waterschapsbelasting.
5.6. Voor aanslagen waterschapsbelasting zoals de onderhavige geldt derhalve geen eerbiedigende werking. De oude regeling (zoals die gold op 31 december 2012) van de invorderingsrente is niet van toepassing.
5.7. Belanghebbendes stelling, dat zij destijds - dat wil zeggen ten tijde van de betaling van de aanslagen waterschapsbelasting - zich niet bewust was noch behoefde te zijn, van een mogelijke wijziging van de wettelijke regeling van invorderingsrente, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
5.8. Belanghebbende betoogt voorts dat het ontbreken van overgangsrecht - in feite - het met terugwerkende kracht inwerkingtreden van de artikelen 28a en 28b Invorderingswet 1990 inhoudt en dat zulks ‘als een inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel’ moet worden gezien. Zij acht het “met terugwerkende kracht tot het belastingjaar 2008 toepassen van artikel 28b Invorderingswet (…) dan ook onredelijk bezwarend”. Hieraan - en in aanmerking genomen dat terugwerkende kracht uitsluitend in uitzonderlijke gevallen is toegestaan - aldus belanghebbende - verbindt zij aan het niet-vermelden van de waterschapsbelastingen in voormeld artikel XXXIV de conclusie dat de nieuwe regeling van 28a en 28b Invorderingswet 1990 eerbiedigende werking inhoudt voor aanslagen waterschapsbelastingen die - zo begrijpt het Hof - op de periode vóór 1 januari 2013 betrekking hebben.
5.9. Het Hof kan in het midden laten of in casu sprake is van een regeling die materieel met terugwerkende kracht is ingevoerd. Naar het oordeel van het Hof is de wetgever met het onderhavige overgangsrecht, dan wel met het ontbreken daarvan voor de onderhavige belasting (zoals overwogen in 5.6), - ook indien dat bezwarend zou zijn voor belastingplichtigen die uitbetalingen van waterschapsbelastingen (als bedoeld in de artikelen 28a en 28b Invorderingswet 1990) ontvangen - gebleven binnen de ruime beoordelingsvrijheid die hem op fiscaal gebied toekomt bij de vraag hoe overgangsrecht vorm dient te worden gegeven. In ieder geval kan niet worden gezegd dat het oordeel van de wetgever van redelijke grond ontbloot is. Dat de wetgever ook voor een andere oplossing had kunnen kiezen doet aan het voorgaande niet af (vgl. HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3463).
5.10. Voorzover belanghebbende betoogt dat indien voor de waterschapsbelastingen een ander overgangsrecht geldt dan voor de onder 5.4 genoemde rijksbelastingen, er sprake is van overgangsrecht dat in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM dan wel artikel 26 van het IVBPR, verwerpt het Hof dat betoog op dezelfde gronden als onder 5.9 is overwogen.
5.11. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het oordeel van de formele wetgever, geldt evenzeer voor de voor het lichaam dat de verordening op grond waarvan de waterschapslasten worden geheven, heeft vastgesteld. Het Hof verwerpt daarom belanghebbendes betoog, voor zover dat zou inhouden dat het Hoogheemraadschap zelfstandig regels had moeten vaststellen inhoudende eerbiedigende werking voor de invorderingsrente over de perioden vóór 1 januari 2013.
5.12. Belanghebbende beroept zich voorts op de rechtvaardigheid en de redelijkheid. Deze zouden leiden tot een wetsuitleg die noopt tot een vergoeding van invorderingsrente. Hoewel het Hof begrip heeft voor belanghebbendes standpunt, kan het Hof belanghebbende daarin niet volgen. Het is de rechter immers niet toegestaan om de rechtvaardigheid of redelijkheid van de wet te toetsen.
Hier te raadplegen

KWIJTSCHELDING

Hof Den Haag 4 augustus 2015, nrs. 14-01590 t/m 14-01592, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap van Delfland, geheven door de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep

7.4. Gelet op het bepaalde in artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 1 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan tegen een besluit, genomen op grond van de Invorderingswet 1990, behoudens enkele hier niet van toepassing zijnde artikelen, geen beroep worden ingesteld. Een besluit inzake het verlenen van kwijtschelding van belasting berust op de bij en krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 gegeven bepalingen. Derhalve heeft de rechtbank zich terecht onbevoegd verklaard voor zover de beroepen betrekking hebben op de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding van de aanslagen.
7.5. Tegen het besluit op een verzoek om kwijtschelding van belastingen kan, gelet op het bepaalde in artikel 24 juncto artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, door tussenkomst van de ontvanger administratief beroep worden ingesteld bij de directeur. Voor 'directeur' en 'ontvanger' moet ingevolge artikel 123, tweede en derde lid, aanhef en onderdelen a en c van de Waterschapswet worden gelezen: 'dagelijks bestuur' onderscheidenlijk 'ambtenaar van het waterschap, belast met de invordering van waterschapsbelastingen' (hierna: invorderingsambtenaar). In artikel 124 van de Waterschapswet, dat de overdracht van bevoegdheden inzake (onder meer) de invordering van waterschapsbelastingen aan een ambtenaar van een ander waterschap of van een bij een gemeenschappelijke regeling ingesteld publiekrechtelijk lichaam regelt, is niet voorzien in de overdracht van bevoegdheden van het dagelijks bestuur aan het (dagelijks) bestuur van een ander waterschap of van een op grond van een gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam (hier: de Regionale Belasting Groep). Mitsdien is het dagelijks bestuur van het HHS bevoegd van administratieve beroepen tegen kwijtscheldingsbesluiten kennis te nemen.
7.6. De rechtbank had het beroep tegen het afwijzende besluit op het verzoek om kwijtschelding moeten aanmerken als een administratief beroep tegen dat besluit en met toepassing van artikel 6:15 van de Awb moeten doorzenden aan het dagelijks bestuur van het HHS. Het Hof zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het administratieve beroep van belanghebbende alsnog aan het dagelijks bestuur van het HHS doorzenden. Belanghebbendes grief dat het bij hem gewekte vertrouwen dat de aanslagen zouden worden kwijtgescholden is geschonden, kan bij de behandeling van het administratieve beroep door het dagelijks bestuur van het HHS aan de orde komen. Mocht belanghebbende het niet eens zijn met de beslissing die het dagelijks bestuur van het HHS op zijn administratieve beroep zal nemen, dan kan hij ter zake een vordering bij de burgerlijke rechter instellen.
Hier te raadplegen

Hof Amsterdam 18 september 2014, nr. 13/00739, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

4.3. Wat betreft belanghebbendes grieven tegen de in de uitspraak op bezwaar opgenomen beslissing de op het aanslagbiljet vermelde kwijtscheldingsbeschikking te vernietigen, oordeelt het Hof als volgt. In artikel 144, eerste lid, Waterschapswet is bepaald dat dat de in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding met betrekking tot waterschapsbelastingen wordt verleend door de in artikel 123, derde lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bedoelde ambtenaar van het waterschap; dat is de ambtenaar belast met de invordering. Op grond van artikel 144, tweede lid, van de Waterschapswet zijn met betrekking tot het verlenen van kwijtschelding de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Ingevolge art. 7 Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 staat tegen de beslissing op het verzoek tot kwijtschelding van (in dit geval) de ambtenaar van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier belast met de invordering, administratief beroep open. Bij gebreke van een speciaal aangewezen administratieve rechtsgang is ter zake van (de beslissing inzake) de kwijtscheldings-beschikking uitsluitend de civiele rechter bevoegd. Het Hof is derhalve niet bevoegd te oordelen over de door belanghebbende geuite grieven tegen de in de uitspraak op bezwaar opgenomen beslissing inzake de kwijtscheldingsbeschikking. Belanghebbende zal zich ter zake tot de civiele rechter dienen te wenden.
Hier te raadplegen
Het door belanghebbende ingestelde cassatieberoep is bij Hoge Raad 10 juli 2015, nr. 14/05372 ongegrond verklaard onder toepassing van art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie.

Hof Amsterdam 11 oktober 2012, nr. 11-00966, verontreinigingsheffing Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, geheven door de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep

Bij haar oordeelsvorming heeft de rechtbank het volgende overwogen:
4.5. Eiser is kennelijk het standpunt toegedaan dat het de belastingrechter vrij staat om in de onderhavige procedure de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling te verlenen, nogmaals te beoordelen, dan wel eisers verzoeken om kwijtschelding van de onderhavige aanslagen alsnog gegrond te verklaren. Dit is niet het geval. De beslissingen over uitstel van betaling en kwijtschelding hebben betrekking op de invordering en zijn niet een beslissing van verweerder in de zin van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zodat die beslissingen niet aan het oordeel van de belastingrechter onderworpen zijn. De opvatting van eiser dat dit anders zou moeten zijn vindt geen steun in de door hem genoemde verdragen en evenmin in enig ander Nederlands of internationaal rechtsbeginsel. Voor zover eiser meent dat hem aldus het recht van toegang tot een onafhankelijke rechter wordt ontzegd, is deze opvatting onjuist. Het staat eiser immers vrij zich bij een eventuele afwijzing van een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding tot de onafhankelijke burgerlijke rechter te wenden. De sector bestuursrecht van de rechtbank is met betrekking tot deze kwesties onbevoegd. Voor zover eiser in dit kader van de rechtbank verlangt een eerdere beslissing van de rechtbank dan wel genoemd verzoek om kwijtschelding te toetsen aan de artikelen 93 en 94 van de Grondwet, kan de rechtbank aan die wens niet tegemoet komen omdat dit haar op grond van artikel 120 van de Grondwet niet is toegestaan.
4. Geschil in hoger beroep
Naar het Hof begrijpt, is tussen partijen in geschil of
- c. belanghebbende recht heeft op uitstel van betaling;
6.2. Met betrekking tot de in onderdeel 4 met de letters a tot en met e aangeduide geschilpunten verwijst het Hof naar hetgeen de rechtbank in de onderdelen 4.1 tot en met 4.6.2 van haar uitspraak heeft overwogen.
Het Hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne.
Hier te raadplegen

Rechtbank Groningen 10 mei 2012, nr. 11/1531, zuiveringsheffing Wetterskip Fryslân, geheven door Hefpunt

3.10 Voor zover eiser heeft gesteld dat hem afstel van betaling dient te worden verleend op grond van de hoogte van zijn inkomen oordeelt de rechtbank dat aan de belastingrechter is voorbehouden een oordeel over de vraag of de onderhavige aanslagen terecht aan eiser zijn opgelegd. Ten aanzien van de betaling van de belastingaanslagen is de belastingrechter niet bevoegd om hierover een oordeel uit te spreken, nu dit een invorderingskwestie betreft. Ten aanzien van verzoeken om uitstel of afstel van betaling dient eiser zich tot de invorderingsambtenaar te wenden en eventueel -bij geschillen met de invorderingsambtenaar- tot de burgerlijke rechter.
Hier te raadplegen

ONTVANKELIJKHEID BEZWAAR/BEROEP

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 september 2016, nrs. 16_1433 en 16_1434, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap Brabantse Delta, geheven door Belastingsamenwerking West-Brabant

2.5. Aan belanghebbende zijn op 31 december 2015 voor het jaar 2013 de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte en voor het jaar 2014 de aanslagen onroerende-zaakbelasting gebruiker, rioolheffing en afvalstoffenheffing opgelegd. Met dagtekening 15 februari 2016 is hiertegen een bezwaarschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 februari 2016 het bezwaarschrift ontvankelijk verklaard, de bezwaren ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.
2.10. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan wel op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.11. De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit is 31 december 2015. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. Alle aanslagen zijn juist geadresseerd, aan het adres waar belanghebbende thans is gevestigd. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 11 februari 2015. Het bezwaarschrift met dagtekening 15 februari 2016 is op 16 februari 2016 door de heffingsambtenaar ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.
2.12. Belanghebbende heeft geen reden voor de overschrijding van de bezwaartermijn opgegeven. De gemachtigde heeft ter zitting alleen gezegd dat hij in de war moet zijn geweest, omdat hij zoveel aanslagen en aanmaningen kreeg. Dat is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren ten onrechte ontvankelijk verklaard. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar zijn in zoverre gegrond. De rechtbank, doende wat de heffingsambtenaar had behoren te doen, verklaart de bezwaren alsnog niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke behandeling komt de rechtbank daarom niet toe.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 13 mei 2016, nr. 15/00021, zuiveringsheffing Waterschap Roer en Overmaas

4.4 Primair is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de aanslag. De wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt aan op de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet – tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking - en bedraagt zes weken. Het aanslagbiljet is op 31 maart 2013 naar belanghebbende verzonden zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 13 mei 2013. Het bezwaarschrift is gedagtekend 12 augustus 2013 en is op 13 augustus 2013 door de Heffingsambtenaar ontvangen. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
4.5. Niet-ontvankelijkverklaring wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift kan, op grond van artikel 6:11 van de Awb, achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot het te laat indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.
4.6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij begin mei 2013, in ieder geval binnen de bezwaartermijn, heeft gebeld met het waterschap en zijn bezwaren tegen de aanslag kenbaar heeft gemaakt. De medewerker zou – aldus belanghebbende hebben beweerd dat bezwaar maken in de situatie van belanghebbende geen zin had.
4.7. De Heffingsambtenaar ontkent dat er begin mei 2013 telefonisch contact is geweest tussen belanghebbende en een medewerker van het waterschap. De Heffingsambtenaar heeft verklaard dat alle gevoerde telefoongesprekken worden geregistreerd en dat er geen telefoongesprek in mei 2013 van belanghebbende is geregistreerd. Het eerste telefonisch contact is blijkens dit registratiesysteem geweest ’s ochtends op 30 juli 2013. 4.8. Ter zitting van het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat hij zelf jaren werkzaam is geweest bij een waterschap en dat hij zich ter zake kundig acht. Hij was het met belanghebbende eens dat de aanslag verminderd moest worden en heeft hem toen geadviseerd te bellen met het waterschap om zijn bezwaren tegen de aanslag kenbaar te maken. Gemachtigde is vervolgens op vakantie gegaan. Na terugkomst heeft hij belanghebbende wederom geadviseerd te bellen met het waterschap, hetgeen hij op 30 juli 2013 heeft gedaan. Toen men de aanslag niet wilde verminderen heeft gemachtigde vervolgens bij brief van 12 augustus 2013 namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag.
4.9. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende zijn stelling dat hij binnen de bezwaartermijn telefonisch bezwaar heeft gemaakt naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat belanghebbende, die wist dat binnen zes weken bezwaar gemaakt diende te worden, werd begeleid door een gemachtigde die volgens zijn eigen verklaring ter zake kundig is. Onder die omstandigheden had belanghebbende binnen de bezwaartermijn schriftelijk bezwaar kunnen en moeten maken. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb is naar het oordeel van het Hof derhalve geen sprake.
Hier te raadplegen

Hoge Raad 25 oktober 2013, nr. 13/02357, zuiveringsheffing

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 4 juli 2013 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna de brief per gewone post naar het door belanghebbende opgegeven adres is verzonden. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 6 augustus 2013 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Deze brief is eveneens wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en de brief per gewone post is verzonden naar het adres van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 1 juni 2012, nr. 11-00441, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

4.6. Voor zover de Rechtbank bij zijn oordeel de gedachte heeft gekoesterd, dat belanghebbende te zijner tijd bezwaar en beroep zou kunnen aantekenen tegen de eventuele toekomstige ambtshalve beslissing dan heeft de Rechtbank in zoverre gedwaald, omdat tegen op de voet van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gegeven beslissingen geen beroep, en derhalve geen bezwaar, bij de belastingrechter openstaat (artikel 65 van de AWR en met artikel 26, lid 1, aanhef, onderdeel b van de AWR; Hoge Raad 31 oktober 1956, nr. 13 016, BNB 1956/343, Hoge Raad 1 juli 1966, nr. 15 604, BNB 1966/268, Hoge Raad 17 december 1969, nr. 16 263, BNB 1970/32, Hoge Raad 4 september 1991, nr. 27 161, BNB 1991/315, Hoge Raad 17 augustus 1998, nr 33 599, LJN: AA2285 en Hoge Raad 21 april 2006, nr. 41 033, LJN: AT3051).
Hier te raadplegen

PROCESKOSTENVEROORDELING

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, nrs. 15/00673, 15/00675 en 16/00676, zuiveringsheffing Waterschap Vallei & Eem, geheven door de heffingsambtenaar van Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus-Tricijn (GBLT) te Zwolle

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding. Belanghebbende is van mening dat de Rechtbank haar een integrale proceskostenvergoeding had moeten toekennen.
Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) is grond, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden danwel indien het bestuursorgaan verregaand onzorgvuldig handelt. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat de heffingsambtenaar het verwijt treft dat bij het opleggen van de onderhavige aanslagen reeds duidelijk was dat die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat in hoger beroep de aanslagen 2009 en 2010 door het Hof in stand zijn gelaten. Evenmin geeft de handelwijze van de heffingsambtenaar aanleiding om van de forfaitaire bedragen in het Bpb af te wijken. Gelet op het vorenoverwogene is het incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
Het Hof acht, gelet op het feit dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar met betrekking tot de aanslag en boetebeschikking 2008 ongegrond is, termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten van belanghebbende gemaakt in verband met het hoger beroep. Belanghebbende heeft voor de door haar in hoger beroep gemaakte kosten eveneens om een integrale proceskostenvergoeding verzocht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het Hof geen aanleiding om belanghebbende een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van de kosten die belanghebbende heeft gemaakt in verband met haar incidentele hoger beroep.
Het Hof stelt de proceskostenvergoeding aan de hand van het Bpb vast op € 2480 (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na inlichtingen maal € 496 maal wegingsfactor 2 (zeer zwaar)) vermeerderd met de kosten van het verschijnen ter zitting van de deskundige [B] à € 464,36 (4 uur maal € 116,09), totaal € 2.944,36.
Hier te raadplegen

Rechtbank Utrecht 23 oktober 2012, nr. 12/1744, zuiveringsheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser onder andere een aanslag waterschapsbelasting voor zuiveringsheffing van € 163,98 opgelegd ten behoeve van het perceel [adres] te [woonplaats] voor het belastingjaar 2012. Hierbij is verweerder uitgegaan van een huishouden van twee personen en drie vervuilingseenheden.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiser de aanslag verlaagd naar € 148,73. Nu eiser alleen woont, moet volgens verweerder het ‘alleenwonendtarief’ worden gehanteerd. Verweerder heeft geweigerd aan eiser een kostenvergoeding toe te kennen. Volgens verweerder heeft geen herroeping van het primaire besluit wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid plaatsgevonden, omdat sprake is van een verlaging van een forfaitaire aanslag op verzoek van de belastingplichtige. Ook ziet verweerder niet in waarom eiser beroepsmatige rechtsbijstand nodig had van zijn kantoorgenoot en dat daadwerkelijk kosten zijn gemaakt.
3. In beroep voert eiser aan dat verweerders primaire besluit wel te wijten is aan een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verder is gesteld dat het aantal vervuilingseenheden al tweemaal eerder, over de belastingjaren 2009 en 2012, na bezwaar door [eiser], is verminderd. Eiser meent dat hij rechtsbijstand van zijn kantoorgenoot nodig achtte, omdat hijzelf niet gespecialiseerd is in bestuursrecht. Eiser handhaaft daarom zijn vordering tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten.
4. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het bezwaar of beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat niet alleen dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, willen zij voor vergoeding in aanmerking komen maar ook dat het maken van de kosten als zodanig moet redelijk zijn geweest.
5. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder voor het belastingjaar 2012, gelet op de vorige belastingjaren 2009 en 2010, op de hoogte kon zijn van de omstandigheid dat uitgegaan had moeten worden van het alleenwonendentarief. Door dit in het primaire besluit van 31 maart 2012 na te laten heeft verweerder onrechtmatig jegens eiser gehandeld.
6. Het beroep kan echter niet slagen, omdat de rechtbank niet vermag in te zien dat eiser voor het maken van bezwaar rechtsbijstand nodig heeft gehad. Noch het benoemen van de in het primaire besluit gemaakte fout noch het verzoeken van kosten van bezwaar vereist specifieke kennis. Dit geldt te meer, nu eiser kennelijk in voorgaande jaren ook al met succes bezwaar heeft gemaakt tegen dezelfde fout. Hoewel het eiser vrijstaat om rechtsbijstand in te roepen was dit in het onderhavige geval klaarblijkelijk niet nodig. 7. In verband met het voorgaande kan in het midden blijven of de werkzaamheden van de kantoorgenoot van eiser kunnen worden aangemerkt als een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 19 oktober 2010 (LJN: BO3392) waarin een vergelijkbaar oordeel is gegeven.
Hier te raadplegen

Hof Den Bosch 1 juni 2012, nr. 11-00441, zuiveringsheffing Waterschap De Dommel

4.19. De Heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag en in de uitspraak op het bezwaar tegen de voorlopige aanslag - zoals is voorgeschreven in artikel 7:15, lid 3 van de Awb - beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar en dit verzoek afgewezen.
De aanslag
4.20. De Heffingsambtenaar heeft de aanslag opgelegd op basis van de door D N.V. geleverde hoeveelheid water. Volgens artikel 7, lid 2 van de Verordening dient de zuiveringsheffing gebaseerd te worden op een meting, bemonstering en analyse gedurende 365 dagen per jaar en 24 uren per dag van het afgevoerde (geloosde) water. Vaststaat, dat een dergelijke meting, bemonstering en analyse niet heeft plaatsgevonden. Een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 8 van de Verordening is evenmin gegeven. Het Hof is van oordeel, dat de Heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de relevante feiten heeft vergaard. Hij heeft slechts kennis genomen van de door D N.V. geleverde hoeveelheid water, terwijl voor de zuiveringsheffing juist relevant is hoeveel van dit water wordt afgevoerd (geloosd) en welke vervuilingswaarde het water heeft. Het lag dan ook op zijn weg om (bij belanghebbende) te informeren of al het aangevoerde water ook werd afgevoerd op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap of om anderszins zich op de hoogte te stellen van de hoeveelheid afgevoerd water en de vervuilingswaarde daarvan. Nu de Heffingsambtenaar niet beschikte over metings-, bemonsterings- en analyseresultaten van het afgevoerde water heeft hij door aan te nemen dat de door D N.V. geleverde hoeveelheid water ook geheel werd afgevoerd dermate onzorgvuldig gehandeld, dat het opleggen van de aanslag een aan de Heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb vormt. Mitsdien dient aan belanghebbende een tegemoetkoming te worden verleend in de kosten van het bezwaar tegen de aanslag.
De voorlopige aanslag
4.21. Met betrekking tot het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag heeft belanghebbende aangevoerd, dat op het moment dat de voorlopige aanslag werd opgelegd de Heffingsambtenaar zich heeft gebaseerd op de in het jaar 2009 ingenomen hoeveelheid water, terwijl de Heffingsambtenaar er toen al van de hoogte was dat niet al het aangevoerde water werd geloosd.
4.22. Het Hof stelt voorop, dat op grond van artikel 13, lid 1, van de AWR de Heffingsambtenaar een voorlopige aanslag in de zuiveringsheffing kan opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de (definitieve) aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld. De Heffingsambtenaar was door het onder 2.6 vermelde bezwaar tegen de aanslag ten tijde van het opleggen van de voorlopige aanslag op de hoogte van het feit dat het aangevoerde water grotendeels gebruikt werd voor het besproeien van het semi-waterveld (A-veld). Hij had derhalve zonder grondig onderzoek uit de hem ter beschikking staande informatie kunnen afleiden dat de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de aanslag over het meest recente kalenderjaar vermoedelijk niet bepalend konden zijn voor het bedrag waarop de aanslag over het jaar 2010 (definitief) zou worden vastgesteld. De Heffingsambtenaar, die niettemin een voorlopige aanslag heeft vastgesteld op grond van de laatstbedoelde gegevens, handelde in strijd met het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Nu als gevolg hiervan een te hoge voorlopige aanslag is opgelegd, is sprake van een aan de Heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, van de Awb (vgl. Hoge Raad 18 juni 2010, nr. 09/00370, LJN BM7705). (Hoge Raad 10 juni 2011, nr. 10/01744, LJN: BO7526.)
4.23. Gelet op het overwogene onder 4.20 en 4.22 acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in een tegemoetkoming van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
4.25. Gelet op de beantwoording van vraag I is het Hof van oordeel, dat de Rechtbank zelfs bij een, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb, ongegrondverklaring van het beroep een tegemoetkoming in de proceskosten van belanghebbende had moeten verlenen (Hoge Raad 18 april 2003, nr. 37 790, LJN: AF7495, r.o. 3.5.3).
Hier te raadplegen

Hoge Raad 13 maart 1996, nr. 30.986, zuiveringsheffing provincie Utrecht

3.2. Bij de toepassing van artikel 5a van de Wet heeft als hoofdregel te gelden dat indien een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld zijn wederpartij in de kosten van het geding wordt veroordeeld (HR 20 december 1995, nr. 30.728, Vakstudie-nieuws, 1 februari 1996, blz. 525-528). Met deze hoofdregel en de in het Besluit proceskosten fiscale procedures opgenomen forfaitaire regeling voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand strookt het om in het, zich hier voordoende, geval dat een belanghebbende die vertegenwoordigd wordt door een beroepsmatig rechtsbijstand verlenende gemachtigde geheel in het gelijk wordt gesteld, de wederpartij in die, geen nadere opgave behoevende, kosten te veroordelen tenzij het oordeel gerechtvaardigd is dat daarop geen aanspraak wordt gemaakt. Uit het enkele uitblijven van een reactie op de onder 3.1 aangehaalde bijlage I kan niet worden afgeleid dat belanghebbende geen aanspraak maakt op een kostenveroordeling ten laste van de Provincie. Nu de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding ook overigens geen aanleiding geven voor die veronderstelling, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat zich hier dat geval niet heeft voorgedaan.
3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het middel gegrond is en dat de uitspraak van het Hof, voor zover het de proceskosten betreft, niet in stand kan blijven.
Hier te raadplegen


logo Ostraka belastingadviseurs

Wilt u meer weten over de zuiveringsheffing, kijk op onze pagina's zuiveringsheffing voor bedrijven, of zuiveringsheffing voor particulieren.

Moet u een aangifte zuiveringsheffing invullen en komt u er niet uit? Of heeft u een aanslag zuiveringsheffing ontvangen en vraagt u zich af of die te hoog is?

Neem dan vrijblijvend contact op met Hans Scherff.

<< terug naar het nieuwsoverzicht


 

Ostraka belastingadviseurs BV  •  Postbus 44   •   4284 ZG   RIJSWIJK N-Br.   •   T 0183-76 05 22    •  info@ostraka.nl