ostraka
BEZWAARSCHRIFTEN BOX 3-HEFFING AANGEWEZEN ALS MASSAAL BEZWAAR

1

juli

Op de bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomstenbelasting waarbij sprake is van belastbaar inkomen in box 3 heeft Staatssecretaris Wiebes van Financiën op 26 juni 2015 besloten de massaal-bezwaarprocedure van toepassing te verklaren.

Op 16 februari 2016 is in een advies van advocaat-generaal Niessen aan de Hoge Raad aangegeven dat naar de mening van de advocaat-generaal de belasting die wordt geheven over vermogen in strijd is met het recht op het ongestoorde genot van eigendom. In die zaak heeft de Hoge Raad op 10 juni 2016 het beroep van de belastingplichtige afgewezen.

Over de proefprocedures van de Bond voor Belastingbetalers in het kader van het massaal bezwaar is nog geen uitspraak gedaan door de Hoge Raad. Behandeling bij de rechtbanken heeft al plaatsgevonden op 7 september 2016 bij de rechtbank Haarlem, op 30 november 2016 bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) en op 1 december 2016 bij Rechtbank Noord-Nederland (Groningen). Tot nu toe heeft alleen de Rechtbank Breda uitspraak gedaan, die uitspraak is negatief voor de belastingbetaler. De Bond voor Belastingbetalers heeft aangekondigd bij de Hoge Raad in cassatie te gaan.

In box 3 inkomstenbelasting is tussen 2001 en 2016 een fictief rendement over het vermogen gehanteerd van 4 procent. Deze forfaitaire vermogensrendementsheffing in combinatie met het belastingtarief van 30 procent heeft tot gevolg dat jaarlijks over het vermogen 1,2 procent inkomstenbelasting moet worden betaald. Bij spaarrekeningen wordt het forfaitaire rendement van 4 procent echter al jaren niet gehaald. Nadat hieraan in 2014 aandacht is besteed door het programma Kassa en de Bond voor Belastingbetalers zijn meer dan 10.000 bezwaarschriften ingediend bij de Belastingdienst gericht tegen de vermogensrendementsheffing in de aanslagen inkomstenbelasting 2013. Het gaat daarbij om de vraag of de forfaitaire vermogensrendementsheffing in strijd is met het recht op het ongestoorde genot van eigendom (art. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)).

Overigens is met ingang van 1 januari 2017 forfaitaire rendement in box 3 inkomstenbelasting gewijzigd. Niet langer wordt gewerkt met één forfaitair rendement van 4 procent. Met ingang van 2017 wordt gewerkt met drie belastingschijven in box 3. In de eerste schijf bij een vermogen tot € 100.000 wordt gerekend met een forfaitair rendement van 2,87 procent. Bij een vermogen tussen de € 100.000 en € 1 miljoen geldt een forfaitair rendement van 4,60 procent. In de derde schijf, bij een vermogen boven de € 1 miljoen, geldt een forfaitair rendement van 5,39 procent. De forfaits in de drie schijven kunnen jaarlijks worden aangepast. Zie over de wijzigingsvoorstellen verder ons artikel over de belastingwijzigingen 2017.

BELANGRIJKSTE PUNTEN I.V.M. DE AANWIJZING ALS MASSAAL BEZWAAR

WAT HOUDT EEN MASSAAL-BEZWAARPROCEDURE IN?

Als in het belastingrecht een groot aantal bezwaren is gericht tegen de beslissing op dezelfde rechtsvraag en als die bezwaarschriften zich lenen voor niet-individuele afdoening, dan kan de staatssecretaris die bezwaren aanwijzen als massaal bezwaar (art. 25a AWR).

Door de staatssecretaris is de rechtsvraag als volgt geformuleerd:

Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?

Er zijn een beperkt aantal zaken over de vermogensrendementsheffing uitgekozen die worden voorgelegd aan de belastingrechter. De andere bezwaarschriften tegen het fictieve rendement in box 3 inkomstenbelasting worden afgehandeld in overeenstemming met de onherroepelijke uitspraak in de uitgekozen zaken. De manier waarop de andere bezwaarschriften worden afgehandeld is dus afhankelijk van de uitkomst in de uitgekozen zaken.

Als in de uitgekozen zaken door de belastingrechter onherroepelijk is beslist geheel of gedeeltelijk in het voordeel van de belastingplichtige, dan verliezen de andere bezwaren de status van massaal bezwaar. De belastinginspecteur moet dan alsnog op de normale wijze uitspraak doen op elk bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing. Daarnaast moet de Belastingdienst alle aanslagen inkomstenbelasting die op 26 juni 2015 nog niet onherroepelijk waren (alle aanslagen dus met een dagtekening van 15 mei 2015 of later) verminderen conform het oordeel van de belastingrechter.

Als in de uitgekozen zaken onherroepelijk is beslist door de belastingrechter in het nadeel van de belastingplichtige, dan worden alle andere bezwaren tegen het forfaitaire rendement op spaarsaldi afgewezen door een publicatie van de collectieve afwijzing van het bezwaar in de Staatscourant. Tegen de collectieve afwijzing van een bezwaarschrift kan door een belastingplichtige geen beroep worden ingesteld. Wel kan een belastingplichtige aan de belastinginspecteur verzoeken om een individuele uitspraak op het bezwaarschrift. Daartegen staat dan wel beroep open, maar een beroepszaak kan alleen betrekking hebben op de rechtsvraag.

De regeling van massaal bezwaar heeft als doel een voor de Belastingdienst efficiënte afhandeling van de bezwaarschriften mogelijk te maken. Deze regeling wordt toegepast als de staatssecretaris de overtuiging heeft dat de bezwaren moeten worden afgewezen en hij meent dat de belastingrechter tot hetzelfde oordeel zal komen.

VOOR WELKE GEVALLEN GELDT DE AANWIJZING ALS MASSAAL BEZWAAR?

De aanwijzing als massaal bezwaar geldt voor de bezwaren tegen het forfaitaire rendement in box 3 inkomstenbelasting waarop op 26 juni 2015 nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan. Daarnaast geldt het ook voor de bezwaren die worden ingediend tot de dag voorafgaande aan de collectieve uitspraak of de dag voorafgaande aan die waarop de rechterlijke uitspraak in de uitgekozen zaken onherroepelijk wordt.

De aanwijzing als massaal bezwaar geldt alleen voor de bezwaren die alleen de rechtsvraag aan de orde stellen.

De aanwijzing als massaal bezwaar heeft ook gevolgen voor alle aanslagen inkomstenbelasting waartegen op 26 juni 2015 nog bezwaar kon worden gemaakt (alle aanslagen dus met een dagtekening van 15 mei 2015 of later). Ook als in die gevallen geen bezwaar wordt gemaakt dan moet de belastinginspecteur de aanslag inkomstenbelasting wel herzien als de uitspraak van de belastingrechter in de uitgekozen zaken uitvalt in het voordeel van de belastingplichtige.

De massaal-bezwaarprocedure heeft volgens de staatssecretaris alleen betrekking op spaarsaldi. Andere vermogensbestanddelen in box 3 zoals een verhuurde woning of verhuurde landbouwgrond maken dus geen onderdeel uit van de procedure.

WAT ALS U MEER BEZWAARPUNTEN AANVOERT?

Op een bezwaarschrift tegen de vermogensrendementsheffing dat meer bezwaarpunten omvat dan alleen de bovenstaande rechtsvraag, is de belastinginspecteur wettelijk verplicht om in zijn uitspraak op bezwaar negatief te beslissen ten aanzien van de rechtsvraag. Mocht de beslissing van de belastingrechter over de in het kader van het massaal bezwaar uitgekozen zaken later toch in het voordeel van de belastingplichtigen uitvallen, dan moet de belastinginspecteur op dat punt alsnog aan het bezwaar tegemoet komen en de aanslag inkomstenbelasting aanpassen.

REIKWIJDTE VAN DE RECHTSVRAAG

De rechtsvraag is beperkt tot de vraag of de forfaitaire rendementsheffing op zichzelf gezien in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. De vraag of er bij de vermogensrendementsheffing sprake is van een schending van de ?fair balance? op grond van een individuele en buitensporige zware last maakt geen onderdeel uit van de massaal-bezwaarprocedure. Op zich is dat terecht, want dat zijn geen vraagpunten die zich lenen voor een niet-individuele afdoening, zij kunnen wettelijk dus geen onderdeel uitmaken van een massaal-bezwaarprocedure. Wel moet worden opgemerkt dat het buiten de massaal-bezwaarprocedure houden van die vraagpunten voordelig is voor de Belastingdienst, omdat de persoonlijke en individuele omstandigheden van de belastingplichtige in de uitgekozen zaken geen rol kunnen spelen.

Als een belastingplichtige van mening is dat de persoonlijke en individuele omstandigheden betreffende box 3 inkomstenbelasting in zijn geval echter wel relevant zijn, dan moet de belastingplichtige dus zelf bezwaar maken om die persoonlijke en individuele omstandigheden aan de orde te kunnen stellen. Omdat de belastinginspecteur het bezwaarschrift tegen het fictieve rendement voor zover het betrekking heeft op de rechtsvraag verplicht moet afwijzen zolang door de belastingrechter niet is beslist in de uitgekozen zaken, verdient het aanbeveling dat het bezwaar zolang wordt aangehouden door de Belastingdienst. Beoordeling door de belastinginspecteur van de persoonlijke en individuele omstandigheden van een bepaalde belastingplichtige die hebben geleid tot een rendement dat lager is dan het forfaitaire rendement van 4 procent is immers zinloos zolang de rechtsvraag of het forfait in strijd is met het recht op het ongestoorde genot van eigendom verplicht negatief moet worden beantwoord door de Belastingdienst.

WAT IS DE HAALBAARHEID VAN EEN BEZWAAR TEGEN HET FORFAITAIRE RENDEMENT?

Niet met zekerheid is te zeggen hoe de belastingrechter oordeelt over het forfaitaire rendement van 4 procent over spaarsaldi. In zijn algemeenheid geldt dat de belastingrechter aan de wetgever een vrij grote ruimte laat bij dit soort wetgevende keuzes, de rechter grijpt de laatste jaren niet snel in bij dit soort punten.

OORDEEL HOGE RAAD IN 2015 BIJ VERHUURDE WONINGEN

In april 2015 heeft de Hoge Raad overigens al geoordeeld dat van de vermogensrendementsheffing ter zake van verhuurde woningen, gelet op de uitgangspunten van de wetgever, niet kan worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert (Hoge Raad 3 april 2015, nr. 13/04247). Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel van de inkomstenbelasting volgens de Hoge Raad niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

Het forfaitaire stelsel zou volgens de Hoge Raad slechts dan in strijd komen met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM als zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4 procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen ? mede gelet op het toepasselijke tarief ? zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last.

Op de belastingplichtige rust de last om te stellen dat er sprake is van een buitensporige zware last. De Hoge Raad vervolgt dat voor het aannemen van een schending van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel blijft beneden 4 procent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet als de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan.

OORDEEL HOGE RAAD IN EEN INDIVIDUELE PROCEDURE

ADVIES ADVOCAAT-GENERAAL NIESSEN VAN 16 FEBRUARI 2016

Op 16 februari 2016 heeft advocaat-generaal Niessen aan de Hoge Raad advies uitgebracht. In het licht van de lopende massaal-bezwaar procedure heeft de advocaat-generaal geadviseerd over een individuele procedure tegen de vermogensrendementsheffing.

Volgens de advocaat-generaal is het vier procent fictieve rendement niet meer in overeenstemming met de economische realiteit. Volgens hem is niet zeker dat het rendement op vermogen gedurende een langere periode gemiddeld vier procent beloopt.

De vermogensrendementsheffing is een belasting naar inkomsten uit vermogen. Volgens de advocaat-generaal neemt dat echter niet weg dat de heffing naar zijn financiële resultaat als een vermogensbelasting kan worden opgevat. In dat geval krijgt de box 3- heffing een confiscatoir karakter als de heffing een zodanige omvang heeft dat de heffing niet kan worden voldaan uit de inkomsten uit het vermogen. Naar zijn mening zou die heffing in strijd kunnen komen met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

De advocaat-generaal geeft daarbij aan dat als de box 3-heffing op zichzelf qua regeling niet in strijd wordt bevonden met het bepaalde in art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, dan nog moet worden onderzocht of in het individuele geval sprake is van een excessieve last.

Als geoordeeld wordt dat er sprake is van strijd met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM dan lijkt volgens de advocaat-generaal een algeheel herstel of vervanging van de regeling door de rechter niet tot de mogelijkheid te behoren. Volgens hem moet de wetgever dan de gelegenheid krijgen om de bestaande regeling te vervangen door een regeling die niet de geconstateerde gebreken heeft. De belastingrechter kan wel aankondigen dat hij, wanneer na verloop van tijd een dergelijke wetswijziging uitblijft, alsnog zal ingrijpen.

Dat de belastingrechter geen algemene regeling kan treffen, doet er niet aan af dat de belastingrechter in individuele gevallen wel rechtsherstel moet bieden. Daarbij oppert de advocaat-generaal dat als criterium zou kunnen gelden of de reële opbrengst minus kosten en de volgens objectieve gegevens voor de soort vermogensbestanddelen in het belastingjaar opgetreden waardevermeerdering in totaal meer beloopt dan 1,2 procent. In zoverre de aldus becijferde baten lager zijn dan de heffing, dan adviseert hij om de heffing te verminderen tot dat bedrag maar niet tot minder dan nihil.

Het staat niet vast dat de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal overneemt.

10 JUNI 2016: HOGE RAAD VOLGT HET ADVIES VAN DE A-G NIET

Over bovengenoemde zaak waarin de advocaat-generaal advies had uitgebracht, heeft de Hoge Raad in juni 2016 geoordeeld (Hoge Raad 10 juni 2016, 14/05020). Het ging hier om een vermogensrendementsheffing ter zake van de voormalige woning die na emigratie werd aangehouden om daarvan gebruik te maken als men tijdelijk terug was in Nederland.

De Hoge Raad stelt voorop dat het rendementspercentage niet afhankelijk is van het werkelijke rendement gedurende het jaar. Hoewel sprake is van een forfaitaire regeling, moet daarmee echter wel beoogd zijn de werkelijkheid te benaderen. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever terecht aansluiting gezocht bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen.

Vervolgens herhaalt de Hoge Raad haar oordeel van 3 april 2015 dat het forfaitaire stelsel op zich niet in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, dat zou slechts anders zijn als komt vast te staan dat het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en de belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat als de onhaalbaarheid van het veronderstelde rendement van vier procent duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest om uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, dan van de wetgever mag worden verlangd dat de regeling wordt aangepast om de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

De Hoge Raad wijst erop dat in de procedure uit 2015 over het belastingjaar 2010 niet is komen vast te staan dat het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent voor particuliere beleggers in 2010 niet meer haalbaar was. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat er geen grond is om daarover anders te oordelen in deze procedure over het belastingjaar 2011 omdat in de procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.

De Hoge Raad vervolgt dat voor het aannemen van een inbreuk op art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM niet voldoende is dat het rendement van bepaalde bezittingen structureel blijft beneden 4 procent van het daarin geïnvesteerde bedrag.

VOORLOPIGE CONCLUSIE BETREFFENDE DE PROEFPROCEDURES

De proefprocedures in het kader van de massaal-bezwaarprocedure worden op dit moment nog gevoerd. Na de uitspraken van de Hoge Raad in 2015 en 2016 lijkt echter al duidelijk te zijn wat de uitkomst van die proefprocedures wordt.

De proefprocedures gaan immers alleen over het rendement op spaarsaldi. Terwijl de Hoge Raad in 2015 al heeft geoordeeld dat niet gekeken moet worden naar het rendement op een bepaalde bezitting, ook niet als de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan.

Mogelijk is wel dat de Hoge Raad de proefprocedures toch aangrijpt om gelijk een uitspraak te doen over de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen over de jaren 2012-2014. In dat verband kan nog relevant zijn dat de advocaat-generaal in conclusie van mening was dat het niet zeker is dat het rendement op vermogen gedurende een langere periode gemiddeld vier procent beloopt.

NADEEL VAN EEN BEPERKTE RECHTSVRAAG BIJ HET MASSAAL BEZWAAR

De massaal-bezwaarprocedure heeft als nadeel dat een gestileerde rechtsvraag wordt voorgelegd aan de belastingrechter, waarbij geen rekening wordt gehouden met de persoonlijke en individuele omstandigheden. Wij zijn van mening dat de persoonlijke en individuele omstandigheden wel relevant kunnen zijn in het kader van de vraag of bij de forfaitaire heffing sprake is van een schending van de ?fair balance? op grond van een individuele en buitensporige zware last.

In een andere zaak oordeelde de Hoge Raad namelijk dat hoewel een wet op het niveau van de regelgeving niet heeft geleid tot een schending van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, daarnaast nog moet worden beoordeeld of de regeling niettemin heeft geleid tot een individuele en buitensporige last in het geval van de belanghebbende (Hoge Raad 27 juni 2014, nr. 12/04122).

Dat daarvan sprake zou zijn moet dan wel worden gesteld door de belastingplichtige en het ligt op de weg van belanghebbende om dit aannemelijk te maken.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT, UITSPRAKEN 11 JANUARI 2017

Op 11 januari 2017 heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant over de belastingjaren 2013 en 2014 uitspraken gedaan in twee proefprocedures van de Bond voor Belastingbetalers. Die eerste uitspraken zijn negatief voor de belastingbetaler.

In geschil was niet de vraag of het forfaitaire systeem als zodanig in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Het geschil ging alleen om de hoogte van het forfaitaire percentage van 4 procent.

De Rechtbank stelt voorop dat de vraag of de wetgever over het belastingjaren 2013 en 2014 de vereiste “fair balance” in acht heeft genomen, moet worden beoordeeld naar de toestand eind 2012.

Volgens de Rechtbank legt de Bond voor Belastingbetalers ten onrechte de nadruk op het rendement op spaartegoeden, nu de proefprocedure niet gaat om de vraag of in het specifieke geval sprake is van een buitensporige last, maar alleen om de vraag of in het algemeen de box 3-heffing in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Ten eerste merkt de Rechtbank op dat het forfaitaire rendement van vier procent is gebaseerd op verschillende vormen van bezittingen. Ten tweede merkt de Rechtbank op dat de wetgever is uitgegaan van de veronderstelling dat belastingplichtigen een zekere actieve houding hebben om – zonder daarbij (veel) risico te nemen – rendement te behalen. Daarom is volgens de Rechtbank bij de vraag of het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent niet haalbaar is, niet maatgevend het rendement op (korte-termijn)spaartegoeden.

De 10-jaarsrente op Nederlandse staatsobligaties sinds 2011 is lager dan drie procent en de rente op langetermijnspaardeposito’s sinds 2012 is lager dan vier procent. Volgens de Rechtbank is dat echter onvoldoende om te kunnen oordelen dat voor de belastingjaren 2013 of 2014 sprake is van een lange reeks van jaren waarbij het veronderstelde forfaitaire rendement voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is.

Zelfs als er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat betreffende de belastingjaren 2013 of 2014 wel duidelijk zou zijn dat het forfaitaire rendement onhaalbaar is, dan valt het volgens de Rechtbank binnen de ruime beoordelingsruimte van de wetgever om niet onmiddellijk tot wijziging over te gaan.

De Rechtbank concludeert dat de heffing van 30 procent over een forfaitair rendement van vier procent over (ook) spaartegoeden niet in algemene zin in strijd is met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM in de belastingjaren 2013 of 2014.

De Bond voor Belastingbetalers heeft aangekondigd bij de Hoge Raad in cassatie te gaan.

MEER WETEN OVER DE MOGELIJKHEDEN VAN BEZWAAR IN UW GEVAL?

Hoewel de uitkomst van de massaal-bezwaarprocedure tegen de vermogensrendementsheffing op dit moment niet is te voorspellen, kan het wel verstandig zijn om zekerheidshalve tegen uw aanslag inkomstenbelasting tijdig zelf een bezwaarschrift in te dienen bij uw belastinginspecteur.

U moet zelf bezwaar maken bijvoorbeeld in de volgende gevallen:

  • als er in uw situatie naast spaarsaldi ook sprake is van andere vermogensbestanddelen in box 3;
  • als u uw persoonlijke en individuele omstandigheden aan de orde wilt stellen omdat er in uw geval sprake is van een individuele en buitensporige zware last;
  • als u het om andere redenen niet eens bent met de aanslag.

Wilt u meer weten over nut en noodzaak in uw geval van het indienen van een bezwaar tegen de forfaitaire vermogensrendementsheffing? Neem dan vrijblijvend contact op met Ostraka belastingadviseurs.



Auteur: mr. drs. J.C. (Hans) Scherff, laatst bijgewerkt: 12 januari 2017.

<< terug naar het nieuwsoverzicht


Interessant artikel? Deel dit dan via:




Andere relevante artikelen
Ostraka belastingadviseurs BV  ?  Postbus 44   ?   4284 ZG   RIJSWIJK N-Br.   ?   T 0183-76 05 22    ?  info@ostraka.nl