VERGOEDING INVORDERINGSRENTE

23

mei

RENTEVERGOEDING BIJ TE LATE UIT­BETALING VER­MINDERDE BELASTING­AANSLAG

Invorderingsrente moet door de ontvanger worden vergoed in drie gevallen:

  • als de ontvanger een uit te betalen bedrag niet betaalt of verrekent binnen zes weken na de dagtekening van de daartoe strekkende beschikking of uitspraak (art. 28a, lid 1, Invorderingswet 1990);
  • als een belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een lager bedrag dan op de aanslag is betaald en een door de belasting­schuldige eerder gedaan verzoek om uitstel is afgewezen door de ontvanger (art. 28b, lid 1, Invorderingswet 1990); of
  • als belasting wordt teruggegeven omdat die belasting in strijd met het Unierecht is geheven (art. 28c, lid 1, Invorderingswet 1990).

In dit artikel wordt specifiek ingegaan op het eerste geval, de vergoeding van invorderings­rente als door de ontvanger niet binnen zes weken wordt uitbetaald.

GEEN DREMPEL BIJ TE VERGOEDEN INVORDERINGS­RENTE

Belastingdienst

Art. 31 Invorderingswet 1990 maakt het mogelijk dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld door de staatssecretaris van Financiën betreffende (1) de bij de berekening van de invorderings­rente toe te passen afrondingen, (2) het niet in rekening brengen van invorderings­rente die een bepaald bedrag niet te boven gaat en (3) een doelmatige invordering van invorderings­rente. Dit is nader uitgewerkt in art. 29-34 Uitvoerings­regeling Invorderingswet 1990. De Belastingdienst kent in art. 33 Uitvoerings­regeling Invorderingswet 1990 alleen een drempel van € 23 voor het aan de belasting­schuldige in rekening brengen van invorderings­rente. Voor het vergoeden van invorderings­rente door de Belastingdienst is geen drempel opgenomen, omdat art. 31 Invorderingswet 1990 niet in die mogelijkheid voorziet.

Daarnaast is relevant dat bij belastingzaken niet geldt het drempel­bedrag van € 10 te betalen rente door het bestuursorgaan (art. 4:98, lid 2, Awb). Die bepaling geldt immers niet als bij wet een andere regeling is getroffen over verzuim en de gevolgen daarvan (art. 4:103 Awb). De regeling in de Invorderingswet 1990 gaat als lex specialis dus voor op het bepaalde in de Awb.

Geen uitzondering meer voor gemeenten en water­schappen

Bovenstaande regeling is voor de Belastingdienst met ingang van 1 april 1987 (Stb. 1987, 120) opgenomen in de Invorderingswet 1845. Omdat onder andere gemeenten en water­schappen toen nog niet in staat waren die regeling volledig uit te voeren op het punt van het vergoeden van invorderings­rente, is voor gemeenten en water­schappen een aparte regeling getroffen waarbij de nieuwe regeling tijdelijk tot 1 januari 1997 buiten toepassing kon blijven. Gemeenten en water­schappen hebben in grote getalen van die uitzondering gebruik gemaakt en in hun belasting­verordeningen de bepaling opgenomen dat de invorderings­renteregeling tot 1 januari 1997 buiten toepassing werd verklaard.

In 1990 is de Invorderingswet 1990 gaan gelden. Op grond van overgangsrecht is toen bepaald dat de invorderings­renteregeling met betrekking tot de gemeentelijke belastingen en water­schaps­belastingen geen toepassing vindt tot 1 januari 1997, tenzij de belasting­verordening anders voorschrijft (Kamerstukken II 1988/89, 21135, nr. 8, p. 5).

Op grond van art. 252a Gemeente­wet en art. 144a Waterschaps­wet volgens het ontwerp van de wet formele belasting­bepalingen zouden de gemeenteraden respectievelijk het algemeen bestuur van de water­schappen de bevoegdheid krijgen om bij belasting­verordening te bepalen dat vergoeding van invorderings­rente achterwege blijft ingeval de te vergoeden rente niet meer beloopt dat een in de verordening genoemd bedrag dat f 50 niet te boven gaat (Kamerstukken II 1995/96 24771, A, p. 4).

Die bepalingen zijn echter niet opgenomen in het uiteindelijke wetsvoorstel formele belasting­bepalingen. Daarom hebben de VNG via brieven van 2 mei 1996 bij de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, respectievelijk de minister van Verkeer en Waterstaat aandacht gevraagd voor het feit dat de Gemeente­wet en Waterschaps­wet niet voorzien in de mogelijkheid om uit doel­matigheids­overwegingen een drempel voor het vergoeden van invorderings­rente te mogen hanteren.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel formele belasting­bepalingen stelt onder andere dat vanwege de voortgeschreden automatisering onvoldoende reden wordt gezien om voor gemeenten en water­schappen inbreuk te maken op het stelsel van de Invorderingswet 1990. Ondanks dat het bij gemeenten en water­schappen kan gaan om heffingen van kleine bedragen waardoor soms rente­vergoeding tot geringe bedragen moet plaatsvinden, is bewust afgezien van een doel­matigheids­drempel bij de vergoeding van invorderings­rente (Kamerstukken II 1995/96, 24771, nr. 3, p. 9 en Kamerstukken II 1996/97, 24771, nr. 5, p. 3-5).

Bij brieven van 20 augustus 1996 en 27 augustus 1996 hebben de VNG en de UvW bij de Tweede-Kamer­commissie voor Binnenlandse Zaken aandacht gevraagd voor het ontbreken van de mogelijkheid tot het opnemen in de belastingverordening van een drempel­bedrag voor het vergoeden van invorderings­rente. Door de Tweede Kamer is daar vervolgens op ingehaakt en er zijn vragen gesteld. De regering zag echter geen aanleiding om voor de gemeenten en water­schappen een van de Belastingdienst afwijkende regeling te treffen, of de overgangs­regeling te verlengen tot na de in 1987 vastgestelde datum van 1 januari 1997 (Kamerstukken II 1996/97, 24771, nr. 5, p. 3-5). Verder is er bij de wet formele belasting­bepalingen niet inhoude­lijk gediscussieerd over de renteregeling. De wet formele belasting­bepalingen is in werking getreden op 1 juli 1997 (Stb. 1997, 189 en 225), zonder dat er voor gemeenten en water­schappen een mogelijkheid is opgenomen om een drempel­bedrag te hanteren bij vergoeding van invorderings­rente.

Met ingang van 1 januari 1997 zijn gemeenten en water­schappen dus verplicht om invorderings­rente te vergoeden, doordat een einde is gekomen aan de overgangsregeling. Ondanks de overgangstermijn van tien jaren bleek dat gemeenten in 1997 in de praktijk niet klaar waren voor toepassing van de nieuwe regels (G.I. Sheer Mahomed en R.T.N. Smeets, Invorderings­rente en belasting­aanslagen; pro­blemen in de gemeente­lijke praktijk, Belasting­blad 1997, p. 307).

VERGOEDING INVORDERINGSRENTE BIJ TE LATE UITBETALING

Art. 28a, lid 1, Invorderingswet 1990 is ingevoerd per 1 januari 2013. Feitelijk is de regeling inhoude­lijk echter niet nieuw. Het betreft een vervanging van de tot dat moment bestaande coulancerente (art. 28, lid 5, Leidraad invordering). Daarbij werd rente vergoed over de periode na formalisering van een uit te betalen bedrag, als de daadwerkelijke uitbetaling veel langer op zich had laten wachten dan gebruikelijk was.

Procedureel is er wel een verschil met ingang van 2013. Tot 2013 moest om vergoeding van rente worden verzocht. Vanaf 2013 behoort de invorderings­rente automatisch door de ontvanger te worden toegekend.

DE PRAKTIJK BIJ GEMEENTEN EN WATERSCHAPPEN

Ondanks de duidelijke termijn in art. 28a, lid 1, Invorderingswet 1990 zien wij herhaaldelijk dat gemeenten en water­schappen langer dan zes weken doen over de uitbetaling van een verminderde aanslag. Ook komt het voor dat uitbetaling niet in één bedrag wordt gedaan, maar wordt verspreid over meerdere maande­lijkse termijnen.

Als de zeswekentermijn van art. 28a, lid 1, Invorderingswet 1990 is overschreden menen diverse gemeenten en water­schappen dat desondanks geen invorderingsrente behoeft te worden vergoed, omdat het om een klein bedrag zou gaan. Die praktijk is echter duidelijk in strijd met de geldende wetgeving en de parlementaire geschiedenis.

BELASTINGVERMINDERING IN UW GEVAL TE LAAT UIT­BETAALD?

Wordt ook in uw geval de belasting niet binnen zes weken door de invorderings­ambtenaar van de gemeente of het waterschap terugbetaald en wordt daarbij geen invorderings­rente vergoed? Neem dan vrijblijvend contact op met Ostraka belasting­adviseurs om te zien wat wij voor u kunnen betekenen.

, , laatst bijgewerkt: 28-06-2018.

« terug naar het nieuwsoverzicht


Interessant artikel? Deel dit dan via:




Contactgegevens

Ostraka belastingadviseurs BV
Postbus 44
4284 ZG  RIJSWIJK N-Br

T 0183-760522

info@ostraka.nl
  • Ostraka belastingadviseurs BV
  • 0183-76 05 22
  • info@ostraka.nl
  • Postbus 44
  • 4284 ZG
  • RIJSWIJK N-Br.